LowCountriesSculpture.org 

 

Genootschap gesticht in 2002 voor studie en behoud van beeldhouwkunst uit de Lage Landen

 

 

VORIGE PAGINA

Beknopt overzicht van :

De beeldhouwkunst en de sierkunst van de 16e tot het begin van de 20e eeuw

PAGINA 9

Art Nouveau - Nieuwe Kunst

  De kunststijl, die vanaf de jaren 1880 de 20ste eeuw inluidde brak volkomen met het eklekticisme van de 19de eeuw. De Nieuwe kunst nam in België en Nederland echter heel verschillende vormen aan. Globaal gesproken kan men stellen dat de Belgische Nieuwe Kunst verwant was aan de sierlijke, florale Franse Art Nouveau, terwijl in het Noorden een strakkere en meer constructieve variant domineerde, die veeleer aansloot bij de Duits-Oostenrijkse Jugendstil. Desalniettemin hebben beide landen zeer oorspronkelijke bijdrages geleverd aan de nieuwe kunst rond 1900, waarvan het niveau ver uitstijgt boven wat enkele decennia eerder werd geproduceerd. Met recht geldt de periode als een bloeitijd van de toegepaste kunsten in Nederland en België. In beide landen was de nieuwe kunstbeweging nauw verweven met de socialistische idealen, hoewel veel van de voortbrengselen alleen voor een publiek van zeer welgestelde burgers bereikbaar was.

  In België was de centrale figuur de architect Victor Horta (1861-1947), die ook op decoratief gebied belangrijk werk ontwierp in een flamboyante florale stijl, die zelfs vooruit liep op ontwikkelingen in Frankrijk. Een geslaagd en vroeg voorbeeld van zijn integrale aanpak biedt het Hôtel Tassel in Brussel uit 1893.(afb. 108) Hier ontstond voor het eerst in zijn oeuvre een zeer geslaagde synthese van constructieve en decoratieve elementen, met gebruikmaking van een industrieel materiaal, metaal.

  Daarnaast speelde in België de veelzijdige Philippe Wolfers (1858-1929) een grote rol. Hoewel opgeleid als edelsmid die sieraden maakte in de stijl van de Fransman Émile Gallé, schiep hij ook beeldhouwwerken en ceramiek. Een voorbeeld van de laatste categorie is een bloempot, die naar Wolfers' ontwerp werd uitgevoerd door de Franse ceramiekfabriek van Emile Müller in Ivry.(afb. 109) De golvende bloemvormige pot is versierd met bloeiende orchideeën. Andere kunstenaars ontwikkelden een meer abstracte florale stijl in hun ceramiek, zoals Arthur Craco (1869-1955) en Willy Finch (1854-1930). De laatste was tevens schilder, hetgeen aanvankelijk tot uitdrukking kwam in zijn experimenten met kleurige glazuren. Na zijn vestiging in 1895 in Forges (bij Chimay) werd hij sterk door het traditionele boeren aardewerk van de streek beinvloed. Zijn werken werden toen eenvoudiger, boerser en primitiever, maar tegelijk van een hoogst originele expressie die raakvlakken vertoont met de toen veel gewaardeerde Japanse ceramiek.(afb. 110)

  Het belang van de golvende lijn, die zo karakteristiek is in de Belgische Art Nouveau werd door de veelzijdige architect Henry van de Velde (1863-1957) nadrukkelijk onderschreven: 'La ligne est une force', waarmee hij doelde op de natuurlijke elementaire kracht. Sinds 1891 beleed Van de Velde in zijn ontwerpen dit geloof in het 'dynamographische spel' van de lijn, vooral in zijn ontwerpen voor stoffen en zijn meubels. Meer dan bij Horta en de andere kunstenaars uit deze tijd houdt het lijnenspel van Van de Velde het midden tussen decoratie en structuur. Dat wordt goed geillustreerd met zijn bureau uit 1899, gemaakt voor de Sezession in München. Het meubel wordt door golvende bewegingen gestructureerd, terwijl het beslag subtiele, maar spanningsvolle accenten geeft.(afb. 111) Van de Velde bewoog zich zeer internationaal; hij onderhield contacten met Nederlandse en Duitse kunstenaars en ontving meer opdrachten uit het buitenland dan in zijn geboorteland België.

  De beeldhouwer Charles van der Stappen (1843-1910) maakte in 1898 een van de weinige karakteristieke Art Nouveau beelden, een buste van een sphinx in marmer, waarvan ook een bronzen en een ivoren versie bestaan.(afb. 112) Het thema van de mysterieuze sphinx was populair onder de symbolistische schilders, maar werd in de beeldhouwkunst zelden uitgebeeld. Het gebruik van ivoor was onder de Belgische kunstenaars omstreeks 1900 breed verspreid, vooral vanwege de beschikbaarheid van het materiaal uit de Belgische kolonie Congo.(afb. 113) 

Ook de beeldhouwer George Minne (1866-1941) vertoont in zijn werk de invloeden van het symbolisme en de Art Nouveau. Zijn bekendste werken zijn beelden van naakte, magere jongelingen die volstrekt in zichzelf gekeerd zijn. Een aantal ervan werd ontworpen voor zijn 'Fontaine des Agenouillés'. Door hun sobere, haast geometrische houdingen en vloeiend gehakte steenoppervlakken werken zij buitengewoon decoratief.(afb. 114)

  Van de beeldhouwers die omstreeks 1900 werkten demonstreerden Constantin Meunier (1831-1905) en Rik Wouters (1882-1916) in hun werken een sterke sociale bewogenheid. Meuniers oeuvre is grotendeels gewijd aan de arbeidersklasse. Zijn stijl is sober, massa's zijn opgezet in grote vlakken zoals bij de imposante rustende 'Puddleur' uit 1884, die was bedoeld als een onderdeel van het grote 'Monument du Travail' dat pas na zijn dood in Brussel werd opgericht.(afb. 115) In een robuuste, losse modelleerstijl, die aan Rodin herinnert, ontwikkelde Rik Wouters een oeuvre dat eveneens deels is gewijd aan alledaagse onderwerpen, zoals 'Les soucis domestiques' uit 1913 waarvoor zijn vrouw model stond.(afb. 116) Wouters overleed op 34-jarige leeftijd als oorlogsvluchteling in Nederland aan kanker.

  De verniewing van de kunstnijverheid vond in Nederland aan het eind van de 19de eeuw het eerst plaats in de ceramiek. Belangrijke bron van inspiratie was de kunst van het Verre oosten, meer specifiek die van Java dat toen nog een Nederlandse kolonie was. Pionier was de ontwerper T.C.A. Colenbrander (1841-1930), wiens abstracte, kleurrijke ornamenten voor de Haagse ceramiekfabriek Rozenburg hoogst oorspronkelijk waren. Natuurlijke, grillige patronen en exotische (pseudo-islamitische en Javaanse) motieven zijn tot één geheel gebracht. Zijn monumentale kaststel Dag en Nacht uit 1885 is een eenzame voorloper van de Nederlandse nieuwe kunst.(afb. 117)

  De Rozenburg-fabriek kreeg internationale faam met een nieuw gegoten product, het zeer dunne eierschaal-porselein dat in 1900 op de Wereldtentoonstelling in Parijs werd gelanceerd. Het procedé, dat door Jurriaan Kok was ontwikkeld maakte het mogelijk om ook vierkante en hoekige vormen te maken. De ranke voorwerpen werden op asymmetrische wijze beschilderd, vaak door Japanse voorbeelden geinspireerd.(afb. 118) 

  Naast de industrieel vervaardigde ceramiek waren ook 'studio-potters' vroeg actief bij de ontwikkeling van de nieuwe stijl. Joseph Mendes da Costa (1863-1939) vormde in een met zoutglazuur gedecoreerd steengoed (grès) allerlei gestileerde dier- en mensfiguurtjes.(afb. 119) Ook bij hem is het sierlijke lijnenspel van grote betekenis. Mendes da Costa legde zich, zoals zoveel van zijn Nederlandse kunstbroeders toe op de dierplastiek. Vooral zijn zittende aapjes zijn van een ongewone spontaniteit en directheid. Zijn inspiratiebronnen waren zeer divers, maar veel ideeen ontleende hij aan de Chinese ceramiek uit de Tang-dynastie die in deze jaren op grotere schaal in Europa bekendheid kreeg.

  Mendes da Costa was behalve ceramist ook beeldhouwer, een combinatie die geregeld voorkwam in deze jaren. Hij deelde aanvankelijk zijn atelier met de beeldhouwer Lambertus Zijl (1866-1947), die furore maakte met zijn vrije modelleerstijl waarbij hij mes-snedes als expressiemiddel niet schuwde. Mendes da Costa werkte, zoals veel Nederlandse beeldhouwers, echter in een strenge geometrische stijl; hierbij lijken de verschillende volumes als een soort puzzelstukken ineen te zijn gepast. Andere vertegenwoordigers van deze stijl zijn Johan Coenraad Altorf (1876-1955) en Chris J. van der Hoef (1875-1933). In optima forma is de stijl met eenvoudige vlakken en lijnen te vinden in het beeldje van een Dansende vrouw van Theo Vos (1887-1948), een werk dat door zijn extreme stilering de inspiratie verraadt van Egyptische en Javaanse kunst.(afb. 120)   

  Chris van der Hoef, ook een ceramist die sculptuur maakte, liet zijn werk uitvoeren bij de vooruitstrevende Amsterdamse fabriek Amstelhoek, waar zowel sier- en gebruiksaardewerk als metaalwerk werden gemaakt. Zijn ontwerpen zijn extreem eenvoudig van vorm en kleur. Deze versiering bestaat uit een eenvoudig in contrasterende klei in- of opgelegd motief, een traditionele techniek afkomstig uit het volksaardewerk.(afb. 121)

Dezelfde soberheid kenmerkt ook het metaalwerk van Jan Eisenloeffel (1876-1957), die eveneens aan de Amstelhoek-fabriek verbonden was. Zijn meest succesvolle ontwerp is een theeservies in geelkoper.(afb. 122) De constructieve elementen, zoals klinknageltjes, werden door hem als versieringsmotieven in het werk gebruikt. De vorm van de theepot gaat direct terug op een traditioneel model van een Japanse saképot. Eisenloeffel beijverde zich zeer voor het ideaal om goed vormgegeven vorwerpen voor een groot publiek bereikbaar te maken. Hierin slaagde hij maar gedeeltelijk omdat zijn ontwerpen toch nog te duur waren. Na 1910 legde hij zich noodgedwongen meer en meer toe op luxe voorwerpen met een zeer gedetailleerde decoratie en geëmailleerde kleuraccenten. Hij gebruikte toen de Chinese en Javaanse kunst vaak als inspiratiebron.(afb. 123)

  Zeer Javaans van inspiratie was ook het batik-werk, een vorm van decoratie op stof of perkament, die in Nederlands-Indië (Indonesië) was ontwikkeld. Het batik-werk zou omstreeks 1900 een van de meest oorspronkelijke bijdrages van Nederland aan de nieuwe kunst zijn. Kunstenaars als C.A. Lion Cachet (1864-1945), Chris Lebeau (1878-1945) en Thorn Prikker (1868-1932) pasten het toe in kamerschermen, wandbespanningen en boekbanden; hun werk werd op de wereldtentoonstellingen zeer goed ontvangen.

  In de meubelkunst domineerde de zakelijke, meer constructieve richting volkomen. Vloeiende lijnen waren er in het algemeen niet, wel gestileerd houtsnijwerk als decoratie dat bovendien vaak werd ingelegd met ivoor. De wieg die Johan Thorn Prikker in 1901 ontwierp voor een Haagse arts - wiens huis overigens door Henry van de Velde werd ontworpen - toont een overvloed aan decoratieve elementen, zij het binnen een strakke, architectonische constructie. Het snijwerk is van de hand van de beeldhouwer Altorf. Het bestaat uit allerlei gestileerde insecten en opengewerkte slakkenhuizen. Op de vier hoekstijlen zit steeds een ivoren dierfiguurtje, mogelijk geinspireerd door de Japanse netsuke (gordelknopen) die in Europa veel werden verzameld als exotische curiosa.(afb. 124)

  In de glaskunst kwam de vernieuwing wat later, vooral nadat in de glasfabriek van Leerdam de jonge ontwerper Andries Copier in 1923 als artistiek adviseur was aangesteld. Copiers eigen ontwerpen en die van anderen voor 'vrij glas' werden als unica op de markt gebracht, maar ze dienden tegelijkertijd als technische experimenten voor de glasblazers. De ontwerper Chris Lebeau leverde vooral kloeke, monumentale vormen. Hij verruilde Leerdam overigens voor Bohemen, waar hij zijn beste werken maakte. Vaak werd het kleurloze glas verlevendigd met ingeblazen stukjes gekleurd glas of met een gecraqueleerde huid van tin.(afb. 125) 

De productie van de vooruitstrevende glasfabriek in Leerdam illustreert ook de overgang van de sierlijke en vaak zo ambachtelijke nieuwe stijl naar een zakelijker en industriëlere benadering die in de loop van de 20er jaren manifester werd onder invloed van het ideeëngoed van het Bauhaus en De Stijl-beweging. Door de toepassing van het industrieel vervaardigde persglas voor serviezen werd een nieuwe weg ingeslagen, bedoeld om verantwoord vormgegeven glas voor een breed publiek beschikbaar te maken. Prominente architecten als H.P. Berlage en K.P.C. de Bazel werden ingeschakeld als ontwerpers. Het felgele ontbijtservies van Berlage en Piet Zwart uit 1924 markeert deze richting bij uitstek.(afb. 126) Het kan worden beschouwd als een definitief afscheid van de Art Nouveau-beweging. 

 ***

  In de Late Middeleeuwen werd in de Nederlanden de basis gelegd voor een rijk en cultureel leven dat vrijwel zonder onderbreking gedurende vierhonderd jaar kon bloeien. Zelfs de politieke en religieuze breuk tussen Noord en Zuid, ten gevolge van de Tachtigjarige Oorlog, kon niet verhoeden dat er een levendige uitwisseling van kunst en kunstenaars tussen de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden plaatsvond. Vooral beeldhouwers opgeleid in de 'kweekvijvers' van het Zuiden vonden gedurende de 17de, 18de en 19de eeuw emplooi in de Republiek, maar in de 16de en eerste helft van de 17de eeuw trokken ook andere groepen kunstenaars naar het Noorden. Deze instroom van talent was een belangrijke impuls voor het culturele klimaat in de Republiek. Tegelijkertijd waren de religieuze verschillen en de verschillen in patronaat een belangrijke voor duidelijke stijlverschillen tussen Zuid en Noord: het katholieke Vlaanderen prefereerde een meer barok idioom en maakte veelvuldig gebruik van allegorieën, terwijl de kunstenaars in de Republiek aan een ingetogener, meer classicistisch georinteerde stijl voorkeur gaven.

Een deel van de verklaring voor het succes van de langdurige culturele hoogconjunctuur in de Nederlanden is wellicht gelegen in het vermogen om steeds open te staan voor buitenlandse invloeden. In de 16de eeuw domineerden Italiaanse invloeden, zowel qua stijl - de Renaissance -  als techniek. Voor dat laatste zijn vooral de glas- en ceramieknijverheid illustratief. In de 17de eeuw werden Aziatische - Chinese en Japanse - invloeden in de ceramiek en het interieur geabsorbeerd als een voorloper van de Chinoiserie-mode die vooral na 1700 in Europa opkwam. Sterke Franse invloed ('regularité') op de totale vormgeving van het interieur manifesteerde zich in de late 17de en gedurende de 18de eeuw. Steeds slaagden kunstenaars erin om deze invloeden tot hun eigen voordeel uit te buiten.

Weliswaar nam na de 18de eeuw de culturele bloei geleidelijk af, mede door het uitblijven van voldoende impulsen van opdrachtgevers, maar de aanwezigheid van grote talenten en de culturele openheid leidden desondanks tot bijzondere initiatieven. Een zeer vroege belangstelling voor het neoclassicisme, gevoed door de ideeën van de filosoof Hemsterhuis, of zeer oorspronkelijke en individuele uitingen van de Art Nouveau, zoals de ontwerpen van Colenbrander, zijn daarvan goede voorbeelden.

Opvallend in vergelijking met de cultuur van de omringende landen is het burgerlijke en huiselijke karakter van de kunstnijverheid en beeldhouwkunst in de Nederlanden. Megalomanie is er ver te zoeken; de bescheiden maat van de woonhuizen van de gegoede burgerij en zelfs die van de stadhouderlijke paleizen dwong tot een intimiteit en kleinschaligheid op alle vlakken. De grootste prestaties van de kunstenaars in de Nederlanden waren derhalve niet gelegen in de maat der dingen, maar in de ingetogen, soms zelfs spartaanse verfijning en in de hoge technische kwaliteiten. Dát zijn constanten in de vier eeuwen van culturele bloei in de Lage Landen, die zich zowel manifesteren in een minuscule Laat-Middeleeuwse gebedsnoot als in de sierlijke ontwerpen van Henry van de Velde of het strakke glaswerk van Berlage. Nederlandse kunstnijverheid werd niet zozeer gemaakt voor vertoon en gebruik in paleizen of kerken, maar voor de wooncultuur van de burgerij. De Engelse reiziger Peter Mundy gaf daarvan een treffend karakeristiek in zijn observaties van de Nederlanders omstreeks 1640: '... Allsoe their other Furniture and Ornaments of their dwellings very Costly and Curious, Full of pleasure and home contentment, as Ritche Cupboards, Cabinetts, etts., Imagery, porcelaine, Costly Fine cages with birds, etts.; all these commonly in any house of indifferent quallity; wonderfull Nett and cleane....'

[...Ook de andere meubels en versieringen van hun huizen [zijn] zeer kostbaar en bijzonder, vol van plezier en huiselijke tevredenheid, zoals rijke kasten, kabinetten etc., beelden, porselein, kostelijk fijne vogelkooien etc.; al deze dingen [vindt men] in huizen van uiteenlopende kwaliteit; wonderbaarlijk schoon en netjes...]

TERUG NAAR HET MENU

retour au menu en Français

back to the menu in English

Boven