LowCountriesSculpture.org 

 

Genootschap gesticht in 2002 voor studie en behoud van beeldhouwkunst uit de Lage Landen

 

 

VORIGE PAGINA

Beknopt overzicht van :

De beeldhouwkunst en de sierkunst van de 16e tot het begin van de 20e eeuw

PAGINA 8

Rococo

  Het duurde tot de jaren 1740 eer de heersende klassieke stijl van Marot en zijn afgeleiden plaatsmaakte voor een nieuw geluid. Voornamelijk via de meubelmakers en de edelsmeden werd de anti-klassieke, Franse Lodewijk XV-stijl, gebaseerd op asymmetrische rots- en schelpmotieven ('rocailles'), in Nederland geintroduceerd. Ornamentprenten van speelden daarbij een belangrijke rol. Het modegevoelige Den Haag, waar een internationale clientele van ambassadeurs, adel en het stadhouderlijk hof van prins Willem IV verbleven, was het belangrijkste kanaal waarlangs het rococo zich in Nederland manifesteerde.      In de meubelkunst werden bestaande modellen veelal gehandhaafd, maar kreeg de decoratie - het domein van de beeldsnijders - geheel nieuwe vormen. Hier vinden we, in plaats van lambrequins en strakke banden en voluten, nu asymmetrische kuiven, consoles, schelpen en ranken. Een voorbeeld is de porseleinkast, een zeer karakteristiek Nederlands meubel dat in de eerste helft van de 18de eeuw werd ontwikkeld.(afb. 86) Binnen het kader van een kloeke architectonische vorm, die voornamelijk is bepaald door de functie van het meubel, valt de vrije, golvende roedeverdeling van de deuren en de grillige ornamentiek van de kuif op. Overigens is deze porseleinkast in allerlei opzichten hibride: de ouderwetse vorm is gemengd met rococo-snijwerk, maar in het beslag en de motieven op de onderzijde dienen de eerste neo-classicistische motieven zich aan.

  Ook in de wandbekleding was de asymmetrie en het naturalisme inmiddels een leidend principe geworden. Het verheven goudleer uit de 17de eeuw werd meer en meer vlak en de beschildering erop nam toe. Het drieslagskamerscherm, gemaakt uit een aantal banen goudleer-behang van omstreeks 1770, laat die luchtige en kleurige asymmetrie goed zien.(afb. 87) Vogels en bloemranken golven tegen het wandvlak omhoog. De wand wordt hier niet langer geleed door architectonische principes, maar door een ogenschijnlijk ordeloos floraal complex. Textielontwerpen uit Frankrijk of Engeland werden door de goudleermakers geregeld gebruikt als voorbeelden.      

  In het zilver werd het luchtige naturalisme van het rococo het uitbundigst uitgewerkt. De Haags zilveren bouilloire en de twee girandoles zijn volledig uit natuurlijke vormen opgebouwd. De kan is een pompoen met opgelegde bladmotieven, staande op takvormige pootjes en een driehoekig blad.(afb. 88) Het hengsel bestaat eveneens uit opklimmende ranken, de tuit is een stammetje. Het is werk uit 1769 van de leidende Haagse zilversmid, Gregorius van der Toorn. Eenzelfde naturalisme, dat zich onderscheidt door het bravour waarmee de armen rond de stam krullen, is te zien in een kandelaber van Isacq Busard, die tien jaar later ontstond.(afb. 89)

  De belangrijkste vernieuwing in de glasnijverheid was in de 18de eeuw de ontwikkeling van de diamantstippelgravure: met een diamantstift werd een zeer subtiele voorstelling op het glas gestippeld, die alleen bij goede lichtval goed leesbaar is. Deze nieuwe techniek, vergelijkbaar met de mezzotint in de grafiek, leende zich bij uitstek voor luchtige decoraties en werd dan ook in het midden van de 18de eeuw veel toegepast. De in Dordrecht werkzame Frans Greenwood (1680-1763) geldt als de inventor van de techniek. De nuances van de stippelgravure zijn goed zichtbaar in een vroeg werk van Greenwood, een wijnglas met een springend paard uit 1722.(afb. 90) De verder onbekende Willem Fortuyn stippelde in 1757 een modieus musicerend paar omgeven door een lijst van rocailles.(afb. 91) Hij baseerde zich op een gravure van de Duitser Nilson, een van de belangrijkste Duitse ornamentontwerpers in de rococo-stijl. Net als in de 17de eeuw was het graveren van glaswerk voornamelijk een activiteit van talentvolle amateurs.

Noble simplicité: Neo-classicisme

  In 1769 verscheen 'Lettre sur la sculpture' van de Haagse filosoof Frans Hemsterhuis (1721-1790). Het is een poging om schoonheid van sculptuur te definiëren door de snelheid waarmee een vorm door het menselijk oog wordt gelezen en door de hoeveelheid ideeën die dit teweeg brengt. Impliciet was deze esthetica dus een pleidooi voor eenvoudige, heldere vormen en contouren. Hemsterhuis was daarmee een van de vroegste theoretici van het neo-classicisme. De filosoof maakte deel uit van een groep intellectuelen, waar ook de medisch hoogleraar Petrus Camper, de kunstverzamelaars Ploos van Amstel, Pieter van Damme, Theodoor de Smeth, Hendrik Fagel en Willem Bentinck van Rhoon, en de medailleur Johan Schepp deel uitmaakten. Bovendien was Hemsterhuis' werk bekend in Duitsland, o.a. bij Goethe. Vanuit dit milieu gingen de eerste impulsen uit naar de beeldhouwkunst. Petrus Camper volgde bijvoorbeeld boetseerlessen bij de Franse beeldhouwer Etienne-Maurice Falconet (1716-1791), die in die jaren in Den Haag verbleef. Diens schoondochter, de beeldhouwster Marie-Anne Collot (1748-1821), maakte in 1781 een portret van de medicus dat als het eerste neo-classicistische portret geldt in Nederland. Camper werd all'antica zonder pruik en kleding weergegeven, in navolging van Houdons buste van Diderot.

  In de Nederlandse beeldhouwkunst zou het neo-classicisme echter weinig uit de verf komen. Het merendeel van de beeldhouwwerken in de klassieke eenvoud in Nederland was afkomstig uit het buitenland. Zo bestelde de bankier Henry Hope in 1781 voor de tuin van zijn neo-classicistische buitenplaats Welgelegen bij Haarlem twaalf loden beelden bij Righetti in Rome en een schouw naar ontwerp van Piranesi. Ook werd de Zuidnederlandse beeldhouwer Gilles-Lambert Godecharle (1750-1835) ingeschakeld bij dit project. Hij leverde de gevelsculptuur van Welgelegen en voor het interieur een copie van de beroemde antieke 'Venus à la coquille' uit het Louvre.(afb. 92) Godecharle was op dat moment een van de meest oorspronkelijke beeldhouwers in de Nederlanden; hij had gestudeerd in Parijs en Berlijn bij zijn landgenoot Tassaert. Nadien werkte hij in Rome waar hij in 1778 de eerste prijs won aan de Accademia di San Luca. Zijn werk evolueerde van een menging van Vlaamse barok met Franse rococo naar een elegant en lieflijk neo-classicisme, in stijl soms herinnerend aan Clodion. Godecharle's belangrijkste werken in zijn geboortestad zijn de beelden en reliefs voor het Koninklijk Paleis te Laeken en het fronton van het Paleis der Natie (1781-1784).    

  Een Noord-Nederlandse beeldhouwer die - ondanks zijn relatief hoge leeftijd - de nieuwe klassieke stijl wel omarmde was Willem Hendrik van der Wall (1716-1790). Zijn Galateia uit 1782 is een buitengewoon geslaagd voorbeeld van edele eenvoud: de schrijlings op een dolfijn gezeten naakte zeegodin vormt een kruiscompositie met de vis, waardoor de nadruk op de fraaie contour van het beeld is komen te liggen.(afb. 93)

  Terwijl de grondslag voor het neo-classicisme werd gelegd door de generatie beeldhouwers, die het rococo nog volop hadden meegemaakt, was het de volgende generatie Zuid-Nederlanders die de stijl werkelijk eigen maakte. Zonder uitzondering werkten zij korte of langere tijd in Rome, waar het artistieke toneel werd beheerst door twee grootheden: de Italiaan Antonio Canova en de Deen Bertel Thorwaldsen. De beeldhouwer Matthieu Kessels (1784-1836) kan worden gezien als de belangrijkste van deze Zuid-Nederlandse neo-classicisten. Hij werd in Maastricht geboren en doorliep een internationale opleiding, aanvankelijk als zilversmid in Parijs, Hamburg en St.Petersburg en vanaf 1817 als beeldhouwer bij Thorwaldsen in Rome. Omstreeks 1820 vestigde hij zich in Rome als zelfstandig beeldhouwer, waar hij twee jaar later groot succes had met een beeld van een discuswerper. Het marmeren beeld werd ondermeer gekocht door de Hertog van Devonshire en bevindt zich temidden van werken van Canova en Thorwaldsen op het kasteel Chatsworth. Geheel in de geest van zijn tijd koos Kessels een bestaand antiek beeld als uitgangspunt, maar hij wijzigde de oorspronkelijke compositie volkomen. Zijn discuswerper staat op het punt van houding te veranderen waardoor het beeld een grote spanning uitstraalt, terwijl het toch in houding en door de naakte, atletische gestalte trouw blijft aan de heldere principes van de neo-classicisten. Van het beeld werden verschillende gipsen gegoten en twee bronzen versies.(afb. 94)

  Andere Vlamingen die in deze tijd in Rome verbleven waren Eugene Simonis (1810-1882), Jean-Louis van Geel (1787-1852), Jean-Antoine van der Ven (1799-1866) en Louis Royer (1793-1868). In tegenstelling tot Kessels, die tot zijn dood in Rome bleef, keerden deze kunstenaars terug naar hun vaderland waar ze sterk hebben bijgedragen aan de verspreiding van de neoclassicistische idealen in de beeldhouwkunst.

  Waren het vooral de architecten die het neo-classicisme op monumentale schaal in Nederland introduceerden, zowel in de architectuur als de interieurs, in de kunstnijverheid verliep de invloed van de nieuwe stijl minder eenduidig. Allerhande luxe 'antieke' voorwerpen werden vanuit het buitenland ingevoerd, bijvoorbeeld Wedgewood aardewerk en Sèvres porselein, Franse marqueterie meubelen en verguld bronzen klokkenkasten. De vormgeving à la Grecque van deze voorwerpen moet een grote indruk hebben gemaakt op de lokale nijverheidskunstenaars. In kleine porseleinfabrieken die in de loop van de 18de eeuw werden opgericht in Loosdrecht (afb. 95), Den Haag en Weesp werd zeker gekeken naar het buitenlandse porselein. Een ambitieus stuk als de urn die omstreeks 1780 in Den Haag werd beschilderd op geimporteerd porselein uit Tournai is duidelijk geinspireerd door een voorbeeld uit Sèvres in bleu du roi caillouté.(afb. 96) 

  Den Haags leidende positie in het rococo-zilver werd aan het eind van de 18de eeuw door Amsterdam overgenomen voor het neoclassicistische zilver. De leidende zilversmid was hier echter geen Nederlander, maar een Zweed: Johannes Schiotling (1730-1799). Voor de Amsterdamse koopman en bankier John Hope maakte Schiotling verschillende monumentale stukken zilver, waaronder een aantal terrines die het Amsterdamse neoclassicisme op zijn fraaist tonen.(afb. 97) Gezaagde, gegraveerde en gegoten ornamenten accentueren de klassieke vorm van de terrine. Terwijl de Amsterdamse zilversmeden veelal voor de rijke burgerij werkten, vonden hun Haagse vakbroeders vaker emplooi bij de adel. Zo vervaardigde Engelbart Joosten (1717-1789) voor Assueer Jan baron Torck en zijn echtgenote in 1772 twee terrines in de neo-classicistische stijl.(afb. 98) Terwijl de vorm nog de klassieke strakheid van contour ontbeert zijn de decoraties sterk antikiserend. Opmerkelijk is het feit dat de terrine deel uitmaakt van een groot servies, waarvan de kandelaars nog volledig in de rococo-stijl zijn uitgevoerd. Blijkbaar werden oude en nieuwe stijl zonder bezwaar naast elkaar gebruikt.

Statuomanie en romantische sculptuur

  In feite bleef de klassieke inspiratie gedurende een groot deel van de 19de eeuw de beeldhouwkunst in de Nederlanden domineren. In Nederland, dat na de afscheiding door België in 1831, nauwelijks kon bogen op een eigen beeldhouwtraditie, was de Mechelaar Louis Royer (1793-1868) de meest toonaangevende beeldhouwer. Hij genoot de bescherming van het koninklijk hof in Den Haag en bekleedde belangrijke functies in het kunstonderwijs. Naast portretten maakte hij een aantal standbeelden van nationale helden, die qua stijl aansloten bij de internationale, historiserende mode. Bovendien ontwierp hij de monumentale verguld zilveren toiletspiegel voor prinses Marianne, dochter van de koning Willem I, die bestemd was als haar huwelijkscadeau in 1830.(afb. 99) De spiegel werd in Brussel uitgevoerd bij de edelsmid Joseph-Germain Dutalis. Het werk ademt nog de statige sfeer van de Franse Empire-stijl, die in heel Europa heerste.

  Royers bekendste werken zijn beelden van de dichter Vondel (Amsterdam, 1867), de schilder Rembrandt (Amsterdam, 1843-1849), de zeeheld Michiel de Ruyter (Vlissingen, 1841) en de vader des vaderlands, prins Willem van Oranje (Den Haag, 1848).(afb. 100). Het zijn zonder uitzondering standbeelden die een uiting waren van sterk toegenomen nationalistische gevoelens onder de burgerij. Pikant is dat deze beelden in gietijzer werden uitgevoerd omdat brons als te kostbaar werd gezien.

  In België, waar sinds de afscheiding publieke beeldhouwkunst nog sterker werd gekleurd door nationalisme, was de familie Geefs leidend in de beeldhouwkunst vanaf 1830. Guillaume Geefs (1805-1883) droeg bij aan de Belgische 'statuomania' met standbeelden van koning Leopold I en generaal Belliard (1832-1836) in Brussel, van de schilder Rubens in Antwerpen (1840) en talrijke portretten van prominente staatslieden en wetenschappers. Tot deze nationalistische sculptuurgolf kan men ook rekenen het standbeeld voor Anthonie van Dijck uit 1856 door Leonard de Kuyper (Antwerpen), het eerste Belgische ruiterstandbeeld van het land, de kruisvaarder Godfried van Bouillon (Brussel, 1848) door Eugène Simonis en tenslotte een beeld van Charlemagne (Luik, 1863) door Jéhotte en de bekende handwerpende Brabo (Antwerpen, 1884-1887), de legendarische stichter en naamgever van Antwerpen, door Jef Lambeaux (1852-1908).

  Van de Geefs-familie richtte Joseph Geefs (1808-1885) zich voornamelijk op klassieke thema's. Zijn originele 'Le Génie du Mal' uit 1843 werd zelfs door de kunstminnende Nederlandse koning Willem II aangekocht.(afb. 101) Door de grote vleermuisvleugels van de kwade genius doorbrak Geefs het koele classicisme van de zittende jongeling en kreeg dit beeld een meer romantische zeggingskracht. Charles-Auguste Fraikin (1817-1893) vertegenwoordigt eenzelfde romantische stroming, die de strakke principes van het neo-classicisme achter zich liet maar wel trouw bleef aan de klassieke thema's. Fraikin was technisch zeer begaafd, zoals zijn 'Triomphe de Bacchus' uit 1868 bewijst.(afb. 102) Een veelheid van naturalistische details, van druiventrossen en -bladeren tot muziekinstrumenten, is hier schijnbaar moeiteloos in het marmer uitgebeeld. Het klassieke thema van een bacchanaal wordt hier op een bevallige en aandoenlijke manier vertolkt door lieftallige kindertfiguurtjes.

  In de tweede helft van de 19de eeuw neemt een krachtiger, expressieve stijl de plaats van deze burgerlijke romantische werken in. Brons werd in deze jaren het favoriete medium van de beeldhouwers in België. Jef Lambeaux kan als de meest uitgesproken vertegenwoordiger van deze richting worden gezien. Sterke expressieve emoties en gebaren bepalen zijn composities, die door het vrije modellé nog worden versterkt. 'La Folle Chanson' van 1884 typeert dit bijzonder, in het contrast tussen de bacchante en de dikke, zatte faun met zijn brede dronkemanslach.(afb. 103)

Historisme

  In de internationale historiserende stijlbewegingen die de 19de eeuw domineerden speelden Nederland en België maar een bescheiden rol. Op twee terreinen werden enkele oorspronkelijke prestaties geleverd, meubelkunst en edelsmeedwerk. Veel van het vroegste werk, in neogotische trant werd gemaakt voor kerkelijke doeleinden. De grote voortrekker was hier de architect Pierre Cuypers (1827-1921) die naast een veelheid van Roomskatholieke kerken ook bijdrages leverde aan een renaissance van middeleeuwse stijlen in profane context. Zijn voorbeelden lagen buiten de landsgrenzen, vooral de Franse architect en theoreticus Eugène Viollet-le-Duc (1814-1879) en de Engelse Augustus Welby Northmore Pugin (1812-1852) waren voor zijn vorming van belang. Frans-Gotisch en modern Engels van inspiratie is de beschilderde muziekkast die hij voor zijn eigen huis maakte in 1858-1859.(afb. 104) Het ontwerp is deels gebaseerd op een gotische kast uit Noyon en andere middeleeuwse meubels, die Viollet-le-Duc had gepubliceerd in zijn 'Dictionnaire raisonné du mobilier français' in 1858. Het beschilderen van (profane) meubels in middeleeuwse stijl was in Engeland op hetzelfde moment zeer en vogue. William Burges (1827-1881) maakte in het jaar waarin Cuypers zijn muziekkast ontwierp zijn eerste beschilderde, wereldlijke meubel. Cuypers was geassocieerd met de ondernemer Stoltzenberg; samen gaven ze leiding aan een groot atelier in Roermond waar voornamelijk kerkelijke kunst werd gemaakt voor de vele nieuwe roomskatholieke kerken die vanaf het midden van de 19de eeuw werden opgericht.

  Neogotiek kwam in profane omgeving al ruim tien jaar eerder voor. Grote pleitbezorger was koning Willem II, die zijn voorliefde ervoor tijdens zijn studie in Oxford had opgedaan. Hij ontwierp zelf de Gotische Zaal bij het voormalige paleis Kneuterdijk in Den Haag (1840-1842) als een navolging van de 'Hall' van Christ Church College in Oxford. De koning bezat ook de ambitieuze zilverkast die de amper vijfentwintig jaar oude meubelmaker Jan Adolf Hillebrand in 1844 maakte.(afb. 105) Willem II kocht het meubel, dat een demonstratie van virtuositeit is, op de Friese nijverheidstentoonstelling van hetzelfde jaar in Leeuwarden.

  De Rotterdamse meubelmaker Johan Diedrich Schmidt en zijn broer, de beeldhouwer Cord Heinrich Schmidt, waren omstreeks 1865 de makers van een groot ameublement in neo-rococo stijl. De vitrine-kast uit dit ensemble is een 19de-eeuwse aanpassing van een 18de-eeuws Duits ontwerp voor een secretaire.(afb. 106) Typerend is het visitekaartje van Cord Heinrich Schmidt. Zijn naam wordt omgeven door ornamenten in vier verschillende stijlen, aangeduid als Gothiek, Renaissance, Grieksch en Rocaille. Het kaartje toont in kort bestek wat de beeldhouwer kon leveren. Als kind van zijn eklektisch ingestelde tijd stapte hij met gemak over van acanthusranken naar rocailles of spitsbogen.  

  De belangrijkste Nederlandse zilverproducent was omstreeks 1850 Johannes Mattheus van Kempen uit Utrecht (en later Voorschoten), die als een van de eersten zilver en goud op meer industriële wijze begon te vervaardigen. Hij paste bijvoorbeeld stoommachines toe bij het forceren van het zilver, terwijl een deel van het graveerwerk eveneens mechanisch werd uitgevoerd. Hiermee was Van Kempen zelfs in Europees verband een voorloper. Zijn kandelaber uit 1864 reflecteert een duidelijk Engelse invloed in het gebruik van rustieke motieven als de ineengedraaide druiventakken.(afb. 107) Op de grote wereldtentoonstelling van 1851 in Londen - waaraan Van Kempen zelf ook meedeed - werd zulk naturalistisch zilver veel getoond door Britse zilversmeden. In zekere zin vormt deze kandelaber ook een echo van het naturalisme in het rococo-zilver dat een eeuw eerder in Den Haag werd gemaakt. Niet toevallig vertoont de voet van de kandelaber dan ook een cartouche met rocailles.

VOLGENDE PAGINA

Boven