LowCountriesSculpture.org 

 

Genootschap gesticht in 2002 voor studie en behoud van beeldhouwkunst uit de Lage Landen

 

 

VORIGE PAGINA

Beknopt overzicht van :

De beeldhouwkunst en de sierkunst van de 16e tot het begin van de 20e eeuw

PAGINA 7

Het hof en de adel als opdrachtgever

  De grote betekenis van het burgerlijk mecenaat in Nederland doet vaak vergeten dat ook een relatief kleine groep adellijke families een groot stempel op de kwaliteit van de kunstproductie heeft gedrukt. In de eerste plaats gold dat het hof van de Oranje-stadhouders, dat zich sinds stadhouder Frederik Hendrik meer en meer spiegelde aan en wedijverde met buitenlandse hofstijlen als middel voor een vorstelijke presentatie. De hofcultuur van Frankrijk en Engeland stond daarbij model. Ook het verblijf van het Boheemse koningspaar - Frederik V van Bohemen en zijn vrouw Elizabeth Stuart - in Den Haag, als ballingen de gasten van de stadhouder tussen 1621 en 1641, droeg sterk bij aan de introductie van een internationaal georiënteerde hofcultuur. Opdrachten aan goud- en zilversmeden vormden een belangrijk onderdeel van het hofmecenaat. Voor Elisabeth van Bohemen maakte de prominente Haagse zilversmid Hans Coenraet Breghtel bijvoorbeeld een grote beker, die zij in 1641 aan de stad Leiden schonk. Ook leverde hij de kroningsbeker voor koning Frederik III van Denemarken. Breghtels opus magnum is de enorme pendule uit omstreeks 1660, gemaakt van verguld zilver.(afb. 71) De ontstaansgeschiedenis is helaas onbekend, maar bij zo'n kapitaal en extravagant werk moet welaan een opdracht van het hof gedacht worden. Misschien was de klok ook een opdracht van de koningin van Bohemen of wellicht van de jonge prinses Mary Stuart, echtgenote van stadhouder Willem II, bedoeld als geschenk aan de Engelse koning Karel II. Voor dat laatste pleit de herkomst van de pendule uit Engels koninklijk bezit. De klok is rondom versierd met plaquettes en vrijstaande figuurtjes. Het iconografisch programma is gewijd aan de Vier Elementen, de tekens van de dierenriem en de symbolen van de maanden. Chronos bekroont dit architecturale werk, dat aan de achterzijde zelfbewust door Breghtel voluit is gesigneerd, wat het artistieke belang van het werk onderstreept.

  Een karakteristiek voorbeeld van adellijk mecenaat zijn de toiletstellen, zilveren ensembles bestemd voor de adellijke toilettafels die in Frankrijk in de eerste helft van de 17de eeuw werden ontwikkeld. In Den Haag werd kort na het midden van de 17de eeuw het eerste Nederlandse toiletservice gemaakt, besteld voor Veronica van Aerssen van Sommelsdijk die daarmee de Franse mode op de voet volgde.(afb. 72) Aan deze prestigieuze en omvangrijke opdracht, bestaande uit tenminste twaalf onderdelen, werkten vier Haagse zilversmeden samen. H resultaat van deze samenwerking is een sober en helder vormgegeven ensemble, alleen gedecoreerd met het VAS monogram van de eerste bezitter.   

  Amper tien jaar later ontstond een tweede toiletservice in Den Haag, ditmaal zeer rijk gedecoreerd met ranken en bloemen.(afb. 73) Opdrachtgeefster was wederom een lid van de hoge adel, Elisabeth van Nassau-Beverweerd, een onechte kleindochter van prins Maurits van Oranje. Het fenomenale drijfwerk van dit servies, met een zeer natuurgetrouwe weergave van de ranken en bloemen, was het werk van tenminste twee zilversmeden, Adriaen van Hoecke en Hermanus van Gulik.

  Onder stadhouder Willem III, die door zijn huwelijk met de Engelse prinses Mary Stuart, met succes aanspraak maakte op de Engelse koningstroon, nam de Nederlandse hofcultuur werkelijk grootse vormen aan. Bepalend daarvoor was de komst van de Franse kunstenaar Daniel Marot (1661-1752) naar Den Haag. Marot was een gevluchte Hugenoot wiens invloed als stadhouderlijk architect zich zou uitstrekken tot alle decoratieve kunsten in Nederland tot ver na 1700. Hij ontwierp complete interieurs, zowel voor de koning-stadhouder - o.a. op diens jachtslot Het Loo bij Apeldoorn -, als voor hovelingen en patriciërs. Het Haagse huis voor Cornelis van Schuylenburch, zoon van de rentmeester-generaal van Willem III, werd volledig in Marot's stijl opgetrokken. Behalve Marot zelf was een keur van kunstenaars betrokken bij de totstandkoming van dit stadspaleis, waaronder de Italiaanse stucwerker Giovanni Battista Luraghi (1675-1736) en de schilder Jacob de Wit (1695-1654).      Een illustratie van de invloed van Marot op de kunstnijverheid is de bouilloire die in 1707 door de Franse Hugenoot Richard Musseau in Den Haag werd gemaakt.(afb. 74)  De zilveren écuelle die de zilverbewaarder van de stadhouder, Adam Loofs (ca. 1645-1710), maakte voor Arnold Joost van Keppel, de graaf van Albemarle, is volkomen in de Franse hofstijl van Marot uitgevoerd: een strakke vormgeving met banden, lambrequins, knerren, bloemvazen die de vorm van het voorwerp geleed en accentueert.(afb. 75)

  Marot was de ontwerper van een tweetal grote vazen van Delfts aardewerk, voorzien van tuiten voor bloemen. De vazen werden besteld bij de meest innovatieve fabriek van Delfts aardewerk, De Grieksche A, onder leiding van Adriaen Kocks.(afb. 76) Een van de vazen heeft een deksel in de vorm van een koningskroon - refererend aan het feit dat Willem III inmiddels koning van Engeland was - en het wapen van de Engelse koning. Om een dergelijk monumentaal voorwerp van aardewerk te maken was een grote beheersing van de modelleer- en baktechniek vereist. De faïence-industrie in Delft had omstreeks 1700 een artistiek en technisch niveau bereikt, dat waarschijnlijk het hoogste was in heel Europa.  

  Toen Willem III in 1689 koning van Engeland werd, liet hij het koninklijk paleis Hampton Court buiten Londen verbouwen. Voor koningin Mary werd een tuinpaviljoen aan de rivier de Thames gebouwd, waarvan de melkerij werd gedecoreerd met Delfts aardewerken tegels naar ontwerp van Marot.(afb. 77) De symmetrische opbouw van geometrische en naturalistische patronen, afgewisseld met koninklijke symboliek, geven aan waar de kracht van Marot lag: een succesvolle balans tussen decoratieve en figuratieve, symbolische elementen. 

  Marots invloed strekte zich ook uit tot de beeldhouwkunst. Voor de tuinvaas die de Amsterdamse beeldhouwer Jan Ebbelaer (1666-1706) maakte voor het stadhouderlijk buitenverblijf Het Loo bij Apeldoorn maakte Marot het ontwerp. De vaas is een uit een set van vier, waarvan er twee bewaard zijn gebleven. Het viertal verbeeldde elk een deugd en een deel van het rijk van de stadhouder-koning. Deze vaas symboliseert Schotland.(afb. 78) Wederom zijn de decoratieve en figuratieve elementen volkomen in balans: lambrequins, acanthusbladeren en guirlandes wisselen elkaar af als kader voor allegorische voorstellingen en karyatiden.

  Jan Blommendael (1650-1702), de beeldhouwer die een van de andere vazen voor Het Loo uitvoerde, was ook verantwoordelijk voor de majestueuze buste van de koning-stadhouder uit 1699.(afb. 79) Willem III is gekleed volgens de Franse mode en bekleed met de hermelijnen koningsmantel en de Orde van de kouseband. Franse barokke portretkunst was evident de inspiratiebron voor de beeldhouwer. Willem III, de Nederlandse stadhouder en Engelse koning, liet zich hier weergegeven als een alter Zonnekoning, als een machtig speler op het internationale politieke toneel.

Beeldhouwkunst in de 18de eeuw

  De hofstijl van Daniel Marot én zijn burgerlijke derivaten bleef tot in het tweede kwart van de 18de eeuw gangbaar. Zowel in de aankleding van het woonhuis, het snijwerk aan de meubelen, in de decoratie van zilverwerk als in de gevel- en tuinarchitectuur speelden Marots motieven en vormen een grote rol. De uitgave van zijn ontwerpen in prentvorm zal zeker hebben bijgedragen tot de verspreiding en het succes van de stijl. De statusgevoelige patriciër Diederik II van Leyden oriënteerde zich direct op de hofstijl van Marot toen hij zijn monumentale woonhuis aan het Leidse Rapenburg verbouwde. Tussen 1730 en 1743 onderging de grote zaal van het huis een volledige metamorfose waarvoor de Haagse hofbeeldhouwer Jan Baptist Xavery (1697-1742) en de Amsterdamse schilder Jacob de Wit verantwoordelijk waren. Het haast vorstelijke interieur, met beschilderd plafond en grote Brusselse tapijten aan de wanden, is omstreeks 1905 ontmanteld, maar de blikvanger, de imposante gebeeldhouwde schouw van Xavery uit 1739 bleef bewaard.(afb. 80) Xavery ontwierp een cheminée à la française, met als opvallendste kenmerk de twee vrijzittende beelden van een herder en herderinnetje op de hoeken van de schoorsteenmantel. Zo'n rijk sculpturaal ensemble was in het Nederlandse interieur nooit eerder vertoond. Dit pastorale motief zet de sfeer van het centrale medaillon voort, waar de geschiedenis van Paris en Oenone is uitgebeeld, naar een verhaal van Ovidius. De enorme palmet onder het reliëf vertoont in zijn asymmetrie de eerste aanzetten voor het rococo, waarvan Xavery een van de wegbereiders was. Zijn vroege dood, drie jaar voltooiing van de schouw, verhinderde dat hij de nieuwe Franse stijl volledig kon adopteren.

  Xavery was de talentrijkste en meest veelzijdige beeldhouwer in deze tijd, die ook grafmonumenten, portretten en 'Kleinplastik' maakte. Zijn informele portret in terracotta van de schilder Balthasar Denner uit 1739 kan zich kwalitatief meten met de beste portretkunst in Frankrijk in deze jaren.(afb. 81) Het feit dat de Portugese ambassadeur in Den Haag, de bekende kunstverzamelaar en connaisseur Don Luis da Cunha zich, kort voor zijn vertrek in 1737 uit Den Haag naar zijn volgende standplaats Parijs, door Xavery liet portretteren is al evenzeer een bewijs van de grote reputatie van de beeldhouwer.(afb. 82) Het getekende gelaat van de 75-jarige diplomaat werd door de beeldhouwer in fraai gestileerde lijnen gehakt, die zich doorzetten in de krullen van de pruik. Het portret is een van de meest geslaagde Nederlandse voorbeelden van een formeel, hoofs portret.

  Terwijl Xavery in Den Haag de hofstijl in de beeldhouwkunst vertegenwoordigde, waren vader en zoon Ignatius en Jan van Logteren (1709-1745) in Amsterdam de toonaangevende vertolkers van de Marot-stijl. De grote marmeren vaas uit 1737 van Van Logteren junior is nog geheel opgebouwd naar de voorbeelden van Marot en rondom versierd met mythologische liefdesparen.(afb. 83) De Van Logterens legden zich toe op tuinsculptuur, geveldecoraties van voornamelijk Amsterdamse patriciërshuizen en monumentaal stucwerk.

  In Utrecht werd op hoog niveau beeldhouwwerk gemaakt door Jacob Cressant (ca. 1680-vóór 1766) uit Abbeville, die zich hier aan het begin van de 18de eeuw vestigde. Hij bleef er tot 1743, werkte enige tijd in Amsterdam en vertrok in 1752 naar Parijs, waar hij als professeur-adjoint werd aangesteld bij de Académie de Saint-Luc. In zijn Utrechtse tijd genoot hij bescherming van de vermogende zijdefabrikant David van Mollem. Voor diens lusthof Zijdebalen - een van de bekendste buitenplaatsen van die tijd - leverde Cressant tuinbeelden en vazen. Hij modelleerde in 1740 ook een portret van zijn mecenas, een expressieve buste in Franse stijl met een trefzekere karakterisering van de zijdefabrikant met een lichte frons en samengeknepen lippen.(afb. 84)

  Het waren, net als in de 17de eeuw, voornamelijk de Zuid-Nederlandse kunstenaars die het gezicht en de kwaliteit van de Noord-Nederlandse beeldhouwkunst bepaalden. Nog steeds waren de grote ateliers in Brabant en Vlaanderen kweekvijvers voor talent dat uitwaaierde over de Nederlanden en verder. Xavery stamde bijvoorbeeld uit de Antwerpse stal van Michiel van der Voort (1667-1737), waaruit ook Michael Rysbrack (1694-1770) voortkwam die in Engeland grote furore maakte. De grote Antwerpse ateliers van beeldhouwers als Artus II Quellin (1625-1700), Peter Scheemaeckers (1652-1714), Peter Verbrugghen (1615-1686) en Willem Kerricx (1652-1719) werkten voornamelijk in dienst van kerkelijke opdrachtgevers. Er werden gebeeldhouwde preek- en biechtstoelen gemaakt, koorhekken, communiebanken, altaren en grafmonumenten. De vigerende stijl was een elegante, maar overdadige late barok, waarin Italiaanse en lokale elementen zich vermengen tot allegorische taferelen. Het grafmonument dat Pieter Scheemaeckers maakte voor de familie Van Delft in Antwerpen is, ofschoon nog in de 17de eeuw ontstaan, karakteristiek voor deze stijl.(afb. 85) Het is een hangend monument, waar door middel van barokke kunstgrepen uit de school van Bernini een klein dramatisch toneelstuk wordt opgevoerd: Chronos trekt een voorhang weg, waardoor de mens geconfronteerd wordt met zijn lot, de Dood die zich als een skelet aan hem vastklampt. Met zijn naar de hemel gerichte blik verwijst de mens naar zijn apotheose, zijn echte redding. In de Zuid-Nederlandse beeldhouwkunst vormen zulke apotheose-allegorieën de barokke tegenhangers van de vanitas-uitbeeldingen in het Noorden. Zowel in Noord als Zuid neemt de aandacht voor sculptuur af in de tweede helft van de 18de eeuw; In de Zuidelijke Nederlanden was de beslissing door Maria Theresia om de Jezuieten-orde af te schaffen de oorzaak voor een terugslag in katholiek kerkelijk mecenaat en voor de afbraak van veel bestaande beelden en kerkmeubels. Veel van de Jezuieten-inventaris belandde uiteindelijk in allerlei parochiekerken verspreid over het hele land. Ruimte voor sculpturale vernieuwing ontstond er pas met de komst van het neo-classicisme vanaf omstreeks 1780.

VOLGENDE PAGINA

Boven