LowCountriesSculpture.org 

 

Genootschap gesticht in 2002 voor studie en behoud van beeldhouwkunst uit de Lage Landen

 

 

VORIGE PAGINA

Beknopt overzicht van :

De beeldhouwkunst en de sierkunst van de 16e tot het begin van de 20e eeuw

PAGINA 6

Barok en Classicisme in de beeldhouwkunst

  Na het overlijden van Hendrick de Keyser in 1621 was er van beeldhouwkunst op een hoog niveau in de Noordelijke Nederlanden nauwelijks sprake. Zijn belangrijkste leerling, de Engelsman Nicholas Stone, was in 1614 al naar zijn vaderland teruggekeerd en zijn zoon Pieter ontwikkelde zich meer en meer als steenhandelaar en aannemer van steenwerk. De belangrijkste ontwikkelingen vonden plaats in de Zuidelijke Nederlanden, waar de markt voor beeldhouwkunst nog steeds groot was. Gedurende de 17de, 18de en 19de eeuw zou Vlaanderen een belangrijke kweekvijver van beeldhouwtalent blijven, waaruit ook vooraanstaande beeldhouwers voortkwamen die in de Republiek furore zouden maken. 

  In het tweede kwart van de 17de eeuw werd de hoge kwaliteit van de sculptuur in het Zuiden voornamelijk bepaald door de invloed van twee kunstenaars, de schilder Rubens en de beeldhouwer François Duquesnoy (1597-1643). De eerste verzamelde een aantal beeldhouwers rond zich, die onder andere 'Kleinplastik' in ivoor en hout maakten naar ontwerpen van de meester. De Zuid-Duitse beeldsnijder Georg Petel (1601-1634) maakte bijvoorbeeld in 1628 een ivoren zoutvat met de triomf van Venus, een werk waarvoor Rubens het geschilderde ontwerp leverde. Het zoutvat werd uit Rubens' nalatenschap in 1649 gekocht voor koningin Christina van Zweden.(afb. 50)

  Tot hetzelfde artistieke milieu behoorde de Mechelse beeldhouwer Lucas Faydherbe (1617-1697), die vanaf 1636 tot 1640 in Rubens' atelier werkzaam was en naar ontwerp van de schilder ivoren en terracotta's maakte. Uit deze periode stamt ook het terracotta model voor een beeld van een putto op een dolfijn, dat door zijn dynamiek en zijn warme, mollige modellé direct aan de barokke stijl van Rubens herinnert.(afb. 51) Ook in een meer monumentale vorm demonstreerde Faydherbe zijn beinvloeding door de kunstschilder. Het praalgraf voor aartsbisschop Cruessen in de Romboutskathedraal van Mechelen is een goed voorbeeld van Vlaamse baroksculptuur. De bisschop is in het centrum weergegeven als priant, geknield voor een elegante, zwevende verschijning van Christus als salvator. Achter de geknielde geestelijke staat Chronos, begeleid door een putto, die lijkt weg te vluchten van zijn begeleider. Deze barokke allegorie vindt plaats tegen een driedelig scherm van wit en zwart marmer, dat tussen twee pijlers van de kooromgang is geplaatst.(afb. 52) 

  Het concept voor een dergelijk graf stamt van Jerome Duquesnoy de Jongere (1602-1654), die in Gent eerder een verwant bisschopsgraf maakte. Daar is echter sprake van een veel classicistischer uitwerking, minder stoelend op dramatiek en dynamiek. Jerome Duquesnoy was dan ook niet zozeer door Rubens beinvloed, maar vooral door zijn beroemde broer François Duquesnoy die in Rome furore maakte. Jerome keerde zelf na een verblijf in Rome in 1643 in Brussel terug waar hij hofbeeldhouwer werd en de classicistische stijl van zijn beroemde broer propageerde. De invloed van het Romeinse classicisme van François is eveneens bespeurbaar in het ingetogen portret van bisschop Antonius Triest.(afb. 53) Voor het eerst manifesteerde zich hier in de Nederlanden de vernieuwende, barokke portretstijl van Bernini, Algardi en Duquesnoy: de combinatie van een sterk realisme in het gelaat met de sobere, maar trefzekere stilering van de mantel van de prelaat.

  Een andere Zuid-Nederlandse beeldhouwer die omstreeks dezelfde tijd in Rome een leertijd doorbracht zou de Italiaanse barokke portretkunst in de Republiek introduceren: François Dieussart (ca. 1600-1661). Deze beeldhouwer werd door de graaf van Arundel uit Italië naar Londen gehaald, waar hij aan het hof succes had met zijn realistische, ingetogen portretkunst. Hij vestigde zich in Den Haag in 1641, in dienst van de prins van Oranje, stadhouder Frederik Hendrik. Zijn belangrijkste werk in deze jaren is het theatrale grafmonument voor Charles Morgan in Bergen op Zoom.(afb. 54) Dit wandmonument laat de dochter van de overledene en haar kinderen ten voeten uit zien in een nis, waardoor het graf het karakter van een toneel heeft. Een dergelijk origineel en gedurfd ontwerp was ondenkbaar zonder Dieussarts verblijf in Rome, waar veel werd gexperimenteerd met theatrale effecten in de beeldhouwkunst. Dieussart werkte korte tijd (1643-1644) aan het Deense hof in Copenhagen, keerde weer naar Den Haag terug en trad tenslotte in dienst van de Berlijnse keurvorst. Als hofkunstenaar ontwikkelde hij zich tot een veelgevraagde portretbeeldhouwer in het Noorden. De loopbaan van Gabriel Grupello (1644-1730), zoon van een Italiaanse officier en een Vlaamse moeder, verliep al even internationaal. Opgeleid bij Quellin in Antwerpen en Amsterdam, werkte hij in Parijs en vervolgens in Brussel. Hier trad hij in 1688 in dienst van koning Karel II van Spanje. Hij vervolgde zijn carriere in Düsseldorf als hofbeeldhouwer van de keurvorst tot 1716 en wederom in Brussel als hofbeeldhouwer voor keizer Karel VI. Zijn stijl vormt de overgang van de zware Vlaamse barok naar een meer elegante vormentaal, waarin zich vooral een Franse invloed manifesteert. Op dertigjarige leeftijd hakte hij een wandfontein met zeegoden voor het gilde van de zeevisverkopers in Brussel.(afb. 55) De dynamiek van dit virtuoze beeldhouwwerk verraadt Grupello's kennis van de fonteinsculpturen van Versailles. Oorspronkelijk stond de fontein opgesteld in een zwartmarmeren grotvormige nis, wat het illusionisme van dit ensemble nog moet hebben versterkt.

Artus Quellin en zijn leerlingen

  De Antwerpse beeldhouwer Artus Quellin (1609-1668) werd ook in Italië opgeleid. Zijn werk houdt het midden tussen het classicisime van François Duquesnoy en de meer weelderige barok van Rubens. Zijn stijl, zijn veelzijdig talent en zijn vermogen om grootschalige projecten uit te voeren maakten hem tot een zeer geschikte kandidaat voor de grootste sculptuuropdracht die in de Republiek werd verleend: de decoratie van het nieuwe Amsterdamse stadhuis, het huidige Koninklijk Paleis op de Dam. Qua schaal en rijkdom van decoratie was er in Nederland sinds de bouw van de Gotische kathedralen geen grootser gebouw voltooid. Het stadhuis moest dan ook uitdrukking geven aan de stedelijke trots van Amsterdam en zijn bestuurders en was tevens een beeld van de enorme bloei, die de stad doormaakte als handelsmetropool. Voor de gebeeldhouwde decoratie van de gevels en van de vele vertrekken werd Quellin gecontracteerd; hij leidde van 1650 tot 1665 een werkplaats in Amsterdam. In samenspraak met de architect van het project, Jacob van Campen, en het bouwcommitee van burgemeesters gaf dit omvangrijke atelier vorm aan het sculpturale decoratieprogramma van het nieuwe stadhuis. Het is verbazingwekkend welke grote eenheid in stijl werd bereikt bij zo'n verscheidenheid aan decoraties en gedurende zo'n lange tijdspanne.

  Hoewel over de werkverdeling in dit atelier nog weinig bekend is, bewijzen vele bewaard gebleven ontwerpen en schetsen in gebakken klei dat boetseersels een grote rol speelden bij de vertaling van de ideeën van Van Campen en Quellin in marmer. Het terracotta ontwerp voor het marmeren reliëf met het Oordeel van Brutus, een van de drie klassieke gerechtigheidsscenes in de Vierschaar (de rechtzaal), vertegenwoordigt de fase van een nagenoeg afgeronde compositie.(afb. 56) De hoofdrolspelers zijn al tot in details uitgewerkt, maar de achtergrond is nog schetsmatig van karakter. Het decoratieprogramma van de Vierschaar staat geheel in het teken van de rechtspraak door middel van voorbeelden van rechtvaardigheid uit de klassieke Oudheid; de zaal is illustratief voor de rijke, klassieke uitmonstering van het nieuwe stadhuis.(afb. 57) Voor het interieur werd op grote schaal wit marmer uit Carrara ingevoerd; een consortium van Amsterdamse kooplieden wist zelfs het monopolie op de export van alle marmer uit Carrara te verkrijgen. Amsterdam werd daardoor de grootste stapelhaven van Italiaans marmer in de 17de eeuw.

  Quellin portretteerde ook een aantal Amsterdamse burgermeesters en hun familieleden. Enkele van deze portretten hebben een voor Nederland ongewone, barokke grandeur en zijn aldus tekenend voor de culturele aspiraties van deze regenten. Dat geldt zeker voor de buste van Johan de Witt, de raadspensionaris en feitelijk de machtigste regent van het land.(afb. 58) Hij is statig en tegelijkertijd met een zekere nonchalance vereeuwigd, iets wat door de handschoenen die De Witt in zijn linkerhand houdt en de licht geopende mond van de regent wordt versterkt. Het zijn de kunstgrepen van Bernini en andere Italiaanse beeldhouwers, die Quellin tijdens zijn verblijf in Rome had geleerd.

  De komst van Quellin naar Amsterdam betekende een enorme stimulans voor de beeldhouwkunst in het Noorden. Onder zijn leiding werd hier een nieuwe generatie beeldhouwers opgeleid die in belangrijke mate het gezicht van de Nederlandse beeldhouwkunst na 1650 zouden bepalen. De belangrijkste onder hen waren Rombout Verhulst (1624-1698) en Bartholomeus Eggers (1637-1692). Verhulst, afkomstig uit Mechelen, ontwikkelde zich tot de belangrijkste beeldhouwer in de Republiek na 1650. Hij werd een specialist in grafsculptuur en portretkunst. Het graf voor Anna van Ewsum en haar overleden echtgenoot Carel Hieronymus van In- en Kniphuisen in Midwolde is karakteristiek voor zijn innovatieve, funeraire werk.(afb. 59) Het monument lijkt een intiem, haast anekdotisch tafereel van een rouwende weduwe bij het lichaam van haar gestorven eega. In werkelijkheid is het monument een vertoon van adellijke deugdzaamheid: de vrouw presenteert zichzelf hier als een waardige, christelijke weduwe die, met de hand op de bijbel, de herinnering aan haar man levend houdt. Het realistische tafereel wordt omlijst door een veelheid van funeraire motieven en van heraldiek ter onderstreping van de edele afstamming van de twee personages. Op het monument werd later een staand portret van Anna's tweede echtgenoot toegevoegd, ditmaal van de hand van Verhulsts concurrent Eggers.

  Als portrettist blinkt Verhulst uit door zijn naturalisme en grote technische vermogen, waardoor het koele marmer een haast warme uitstraling krijgt. Het portret van de Zeeuwse regent Jacob van Reygersbergh demonstreert die kwaliteiten bij uitstek.(afb. 60) Door verschillende oppervlaktebehandelingen van het marmer - de huid is matter dan het kuras, de haren zijn als vlokkige lokken gebeeldhouwd en het kantwerk van de shawl is zeer gedetailleerd - ontstond een natuurlijk en levensecht effect. Eenzelfde kwaliteit wordt teruggevonden in de terracotta portretstudies van zijn hand. Het doodsportret van admiraal Van Ghent, een studie voor het marmeren grafbeeld van de zeeheld op de tombe in de Domkerk in Utrecht, behoort tot de gevoeligste portretten in Verhulsts oeuvre.(afb. 61) Van de grafmonumenten die in de 17de eeuw werden opgericht voor zeehelden, gestorven in dienst van het vaderland, nam Verhulst de belangrijkste voor zijn rekening. Het zijn voorbeelden van overheidsmecenaat, bedoeld als eerbetoon aan de vaderlandse helden, als exempla virtutis voor het volk, maar ook ter meerdere glorie van de Republiek op het hoogtepunt van haar macht.   

  In het oeuvre van Bartholomeus Eggers, eveneens van een Vlaamse komaf, neemt het ambitieuze portret van graaf Maurits van Nassau-Siegen een ereplaats in.(afb. 62) Terwijl Eggers in zijn latere werken vaak een wat droge en stijve stijl hanteerde, is dit portret nauw verwant aan het 'warme' naturalisme van Quellin en Verhulst. Het laat uitzonderlijkerwijs de graaf ten halve lijve zien, wat het beeld een monumentale, vorstelijke uitstraling geeft. Oorspronkelijk stond het werk opgesteld in de tuin van het Mauritshuis, het Haagse stadspaleis van de graaf (en nu museum), waar het werd geflankeerd door deugdpersonificaties. Het werd al na enkele jaren overgebracht naar de grafkelder van Maurits in het Duitse Siegen.  

'Kleinplastik'

  Vooral vanaf 1650 nam in Holland de belangstelling voor beeldhouwkunst op klein formaat toe, bestemd voor de kunstverzamelingen van welgestelde burgers. Naast Italiaanse bronzen statuettes, verzamelden zij ook werken in terracotta, hout en ivoor van inheemse beeldhouwers. De weg hiervoor was al door Hendrick de Keyser vrijgemaakt, die een aantal kleine bronzen maakte in de eerste jaren van de eeuw.

  Sommige beeldhouwers legden zich speciaal toe op de vervaardiging van zulke 'Kleinplastik', voor anderen zoals Rombout Verhulst was het maken van kabinetsculptuur geen hoofdzaak. Aan hem kan een indrukwekkend reliëfportret in ivoor worden toegeschreven, dat een jongeman weergeeft die een raadselachtig gebaar maakt. De elleboog van de man komt sterk uit het vlak naar voren, wat het portret een ongewone expressiviteit verleent.(afb. 63).

  In Amsterdam was de beeldsnijder Albert Jansz Vinckenbrinck gespecialiseerd in het maken van kleine, genre-achtige taferelen in buxushout. Dat hij zich incidenteel ook aan grotere werken waagde bewijst zijn preekstoel voor de Nieuwe Kerk in Amsterdam uit 1647-1649.(afb. 64) In de overdaad aan gedetailleerde reliëfs en ornamentiek op dit imposante kerkmeubel verraadt Vinckenbrinck echter zijn wortels in de kleinsculptuur.

  De vrij onbekende Utrechtse beeldsnijder Ambrosius van Swol sneed in de stijl van Vinckenbrinck een genretafereel van een rattenvanger met zijn knechtje.(afb. 65) De keuze voor zo'n alledaags onderwerp, uitgevoerd in een virtuoze techniek, is kenmerkend voor de Nederlandse 17de-eeuwse 'Kleinplastik'.

  De belangrijkste specialist in ivoorsnijkunst in Nederland was de Vlaming Frans van Bossuit (1635-1692), die een geruime tijd in Italië verbleef alvorens zich in Amsterdam te vestigen. Hier vond hij een aantal kunstverzamelaars die zijn internationale stijl zeer waardeerden. In het kunstkabinet van de koopmansvrouw Petronella Oortmans-De la Court was Bossuits werk ruim vertegenwoordigd. Zijn monumentale Mars vormde de blikvanger in dit kabinet, maar ook het miniatuurreliëf met Venus en Adonis stamt uit haar collectie.(afb. 66, 67) Verschillende van Bossuits composities werden naderhand door de Leidse kunstschilder Willem van Mieris verwerkt in zijn schilderijen. Bovendien werden Bossuits werken gegraveerd en uitgegeven onder de titel Beeld-snyders Kunstkabinet door Mattijs Pool in 1727. Dit boek met een inleiding in het Nederlands, Frans en Engels is een van de vroegste voorbeelden van een monografisch kunstboek bestemd voor een internationale markt.  

  In Leiden werkte de Vlaming Pieter Xaverij (ca. 1647-ca. 1674) voor eenzelfde lokale markt van kunstverzamelaars. Hij maakte voornamelijk kleine beeldjes in terracotta, een genre dat verder in Nederland nauwelijks voorkwam. Net als Vinckenbrinck en Van Swol hebben veel van Xaverij's onderwerpen een sterke anekdotische kwaliteit, zoals in het geval van de 'Gewonde Duellist' uit 1671.(afb. 68) Zijn Vlaamse wortels komen volledig tot uiting in de groep van een bacchanaal, een onderwerp dat Xaverij uit het milieu van Rubens kende.(afb. 69) Oorspronkelijk hoorden ook twee losse figuren bij deze barokke groep, zodat als het ware een kleine optocht van losse beelden ontstond. 

  In Vlaanderen zelf werkten de beeldhouwers van 'Kleinplastik' vaak nog aan opdrachten met een religieus karakter. Matthieu van Beverens klassieke, ivoren Madonna vormde bijvoorbeeld ooit het middendeel van een klein altaar, waarschijnlijk bestemd voor privé-devotie.(afb. 70) Daarnaast werden talloze crucifixen in palmhout of ivoor gesneden, waarvan de makers, ondanks de hoge kwaliteit van hun werken, veelal anoniem zijn gebleven.

VOLGENDE PAGINA

Boven