LowCountriesSculpture.org 

 

Genootschap gesticht in 2002 voor studie en behoud van beeldhouwkunst uit de Lage Landen

 

 

VORIGE PAGINA

Beknopt overzicht van :

De beeldhouwkunst en de sierkunst van de 16e tot het begin van de 20e eeuw

PAGINA 5

Van majolica naar 'Hollantsch porceleyn'

  Het artistieke en vernieuwende élan dat Hendrick de Keyser in de noordelijke beeldhouwkunst vertegenwoordigde was ook aanwezig in de kunstnijverheid gedurende de eerste decennia van de 17de eeuw. De majolica-producenten ('geleybakkers') die zich in de tweede helft van de 16de eeuw vanuit Antwerpen in verschillende noordelijke steden hadden gevestigd, profiteerden zeer van de welvaartsgroei in de Republiek. Terwijl de Hollandse majolica-nijverheid tussen 1600 en 1640 tot bloei kwam, stierf de Antwerpse een langzame dood. De Hollandse producten stonden aanvankelijk nog volledig in de Italiaans-Antwerpse traditie met vlot geschilderde decoraties van granaatappels en druiventrossen in enkele kleuren.(afb. 32) Veel van dit werk is zeer los en vrij geschilderd, naar het voorbeeld van de stile compendiario die door de Italianen in de tweede helft van de 16de eeuw was ontwikkeld. Dat de Hollandse majolicabakkers hun voorbeelden soms heel dicht benaderden demonstreert een groep gelobde schaaltjes met grotesken in okergeel op een witte ondergrond, die ontleend zijn aan het werk van Orazio Fontana uit Urbino. Ze zijn het werk van één atelier in Haarlem, dat werd geleid door Willem Jansz. Verstraeten.(afb. 33) Een dergelijke specialisatie was het gevolg van de toenemende concurrentie onder de majolicabakkers. Zíj werden gedwongen tot herkenbare keuzes qua decoraties en vormen, en tot uitbreiding van het assortiment, ondermeer met tegels.

  Deze voorspoedige situatie kreeg echter een terugslag, toen de Nederlanders op grote schaal porselein uit China begonnen te importen. Het zogenade kraakporselein was niet alleen veel harder en dunner dan het inheemse majolica, het was bovendien exotisch door de decoratie in blauw op witte grond met allerlei Chinese symbolen en thema's. In de markt voor luxe ceramiek die door de majolicabakkers aanvankelijk werd gedomineerd, kwam er plotseling een geduchte concurrent bij. Het betekende dat de majolicabakkers nog meer dan tevoren keuzes moesten maken. Een deel van hen verliet de branche of legde zich toe op eenvoudiger aardewerk. Anderen kozen voor een deel van de markt dat niet door het porselein kon worden ingevuld, bijvoorbeeld tegels. De laatste groep tenslotte ging de strijd aan met het oosterse porselein door hun eigen producten technisch en artistiek sterk te verbeteren. Door betere klei te kiezen waren ze in staat hun majolica dunner te maken; bovendien gingen ze ook over op beschilderingen in blauw op witte ondergrond en tenslotte namen ze ook de motieven en patronen van het Chinese porselein geheel of gedeeltelijk over. Het resultaat werd wel aangeduid als 'Hollantsch porceleyn'. Deze ontwikkeling vond plaats tussen 1625 en 1640, voornamelijk in de steden Haarlem en Delft. Het nieuwe, verbeterde product ('faïence de Delft') zou de concurrentieslag met het oosterse porselein overleven en kwam zelfs tot een nieuwe bloei in Delft, na 1650. De stad groeide omstreeks 1680-1700 uit tot het belangrijkste centrum voor luxe ceramiek in Europa met ruim twintig pottenbakkerijen die leverden aan klanten in heel Europa. De Delftse pottenbakkers waren in staat het oosters porselein op het oog perfect te imiteren, maar ze produceerden daarnaast ook een veelheid van voorwerpen, beschilderd in westerse stijl maar in het oosterse, blauwwitte palet. De schotel met een diameter van ruim 50 centimeter uit de fabriek De Paeuw in Delft is een proeve van het hoge technische niveau dat de Hollandse 'porceleyn'-makers hadden bereikt.(afb. 34)

Kwabstijl

  In de 17de-eeuwse Hollandse edelsmeedkunst zette het 16de-eeuwse Antwerpse niveau zich in zekere zin voort. Aanvankelijk lag het accent nog sterk op gegoten sculpturale decoraties, maar kort na 1600 kreeg het drijfwerk in zilver de overhand. De Hollandse zilversmeden pasten spoedig een zeer eigen stijl toe, de zogenaamde kwabstijl. Deze was gebaseerd op grillige en weke, organische vormen die in gedreven zilver maximaal tot hun recht kwamen. De Utrechtse zilversmeden Paulus en Adam van Vianen worden gezien als de bedenkers van de kwab-ornamentiek, die in de 17de eeuw werd aangeduid met de term 'snakerijen'. Terwijl Paulus van Vianen in Praag werkte voor keizer Rudolf II, was zijn broer Adam in Utrecht werkzaam. Het hoogtepunt van de kwab-ornamentiek in zilver is de kan die Adam in opdracht van het Amsterdamse gilde van zilversmeden maakte ter nagedachtenis van zijn broer, die in 1613 in Praag was overleden.(afb. 35) Deze uitzonderlijke opdracht geeft uitdrukking aan het hoge aanzien dat Paulus van Vianen in zijn geboorteland genoot, maar het is evenzeer een uiting van de nationale trots van de Hollandse zilversmeden. Adam van Vianen maakte een kan die één kwabornament lijkt te zijn; daarmee werd het voorwerp een waardig eerbetoon aan zijn broer, met wie hij hier in zekere zin ook in artistieke wedijver lijkt te zijn. Was Paulus vermaard om zijn in zilver gedreven reliëfs, Adams roem was gebaseerd op het feit dat hij een voorwerp uit één stuk metaal kon drijven. Bij deze kan is het lichaam inderdaad uit één plaat zilver gehamerd. De afzonderlijke, functionele delen van de kan vloeien organisch in elkaar over en zelfs enkele figuratieve elementen, zoals het oor van de kan dat de vorm heeft van het haar van een voorovergebogen vrouw, laten zich nauwelijks als zodanig hernnen. De kan was in zijn tijd al zeer beroemd; hij werd geregeld op schilderijen afgebeeld en opgenomen in beschrijvingen. 

  De kwabstijl vond onder Hollandse zilversmeden vanaf de jaren '20 meer en meer ingang. Omstreeks 1650 was de stijl op zijn hoogtepunt. Vooral de Amsterdamse zilversmid Johannes Lutma toonde zich een waardig erfgenaam van de Van Vianens. Zijn vier zoutvaten uit 1639 bestaan alle uit een grillig gevormde voet in kwabstijl, waarop een putto zit die een dolfijn berijdt.(afb. 36) De schaal die de putto op zijn hoofd houdt lijkt op een schelp maar is feitelijk een gefantaseerd, abstract kwabornament. Nog manifester is het kwabwerk in de schaal die Lutma twee jaar later maakte. Het voorwerp is opgevat als een opengesperde muil met aan de bovenrand een reptielachtig dier dat uit de schaal lijkt te willen drinken.(afb. 37) Abstracte kwabornamentiek gaat hier over in een fantasie van een monsterachtig wezen. Het feit dat Lutma de schaal voluit signeerde (en niet met zijn meesterteken als zilversmid) bewijst dat hij het werk als een autonoom kunstwerk zag, als een sculptuur in zilver.  

  Met het monsterachtige wezentje op de schaal kwam Lutma dichtbij de wereld van de wat raadselachtige zilversmid en beeldhouwer Arent van Bolten (ca. 1573-1633) uit Zwolle, die een album met een groot aantal groteske dierentekeningen naliet (British Museum, London). Aan Van Bolten wordt ook een aantal kleine bronzen beeldjes toegeschreven van zeer verwante groteske wezens op hoge poten.(afb. 38)

  De kwabstijl bereikte rond 1650 een hoogtepunt. In die tijd werden ook meubels uitgevoerd met grillige organische ornamenten evenals gietwerk uit geelkoper en zelfs goudleer. De meest monumentale voorbeelden van de kwabstijl zijn het koorhek van de Nieuwe kerk in Amsterdam en een bijna vier meter hoge kandelaber die de geelgieter Joost Gerritsz. omstreeks 1640 maakte in opdracht van de VOC. De kandelaber werd als geschenk voor de shogun naar Japan verscheept, waar hij zeer in de smaak viel. Hij werd als kostbaar curiosum opgesteld in het heiligdom Nikko. Het koorhek van de Nieuwe Kerk werd na 1645 door Lutma ontworpen, nadat het interieur van de kerk door brand deels was verwoest. Het bestaat uit een reeks geschakelde zuilen van geelkoper, onderling verbonden door kwabvormige motieven.(afb. 39)

  In de goudleerfabricage, een tak van nijverheid die in de Noordelijke Nederlanden in de loop van de 17de eeuw tot bloei was gekomen, werd de kwabstijl toegepast door Hans le Maire en Jacob Frijberger. Het Nederlandse goudleer werd - in tegenstelling tot het Spaanse en Vlaamse - gemaakt door patronen in vellen kalfsleer te persen, die vervolgens verguld en beschilderd werden. De glimmende relifs gaven het materiaal, dat voornamelijk als luxe wandbekleding werd toegepast, de uitstraling van gedreven edelmetaal. Dat de kwabstijl ingang vond bij de goudleermakers hangt mogelijk samen met het feit dat de drukmallen voor het goudleer geregeld door edelsmeden werden ontworpen. Joost Lutma leverde in 1632 bijvoorbeeld drukplaten aan de Amsterdamse goudleermaker Hans le Maire. De goudleer-omlijsting van een kleine klapbare spiegel, toegeschreven aan Le Maire of Jacob Frijberger bevat diverse kwabmotieven, die herinneren aan het werk van Johannes Lutma.(afb. 40)     

  Waarom deze abstracte, grillige stijl zo werd gewaardeerd is moeilijk te begrijpen. Waarschijnlijk hangt de waardering ervoor samen met de fascinatie voor de grillige vormen uit de natuur, bijvoorbeeld van schelpen, koralen, boomstronken of stenen. Zulke 'natuurlijke grillen' werden in de Kunst- und Wunderkammers veelvuldig verzameld als tegenhangers van door mensen gemaakte kunstvoorwerpen. De Hollandse zilversmeden speelden met hun kwabornamentiek op deze fascinatie direct in.

Barokke meubels in Holland en Vlaanderen

De welvaartsgroei in Antwerpen in de 16de eeuw en in de Republiek in de 17de eeuw had vanzelfsprekend zijn weerslag op de inrichting van de huizen. Met name de welgestelde kooplieden in Antwerpen en hun Hollandse evenknieën, de regenten in de Hollandse steden en de landadel die zich voornamelijk op Den Haag orinteerde waren de belangrijkste trendsetters op dit gebied. Schilderijen uit de 17de eeuw geven, hoewel vaak wat geflatteerd, een goede indruk van de rijkdom van deze interieurs. Wat opvalt is een groeiende tendens naar meer eenheid en samenhang in kleur en sfeer. Dit streven naar 'regularité', dat aan de basis van het Europese barok-interieur staat, werd in Frankrijk omstreeks 1620 ontwikkeld. Het werd bereikt door de constructieve elementen van het interieur geleidelijk te maskeren en te integreren in één ruimtelijk concept met kleur als bindmiddel. Interieurs werden in toenemende mate 'en suite' gemaakt, wat betekent dat men voor de bekleding eenzelfde kleur of decoratie koos.

  Naast obligaat gebruiksgoed is er in het interieur bovendien een sterke toename te bespeuren in luxe artikelen en materialen, die blijk geven van de goede smaak en de welstand van de huiseigenaars: zilver, gegraveerd glaswerk (afb. 41), marmeren vloeren, wanden behangen met tapisserieën of goudleer.(afb.42) Bovendien groeide in de 17de eeuw de import van oosterse waren enorm en ook die kregen hun plek in de Nederlandse woonhuizen: Japans lakwerk, Chinees en Japans porselein, sitsen stoffen uit India, wollen tafelkleden uit Turkije. In het Holland van de 17de eeuw waren zulke exotica niet meer weg te denken uit het woonhuis en werden zelfs kamers volledig oosters ingericht.

  Meubels die speciaal werden vervaardigd voor het tentoonstellen van de verzamelde luxe artikelen waren een betrekkelijk nieuw fenomeen. Een Antwerpse kast uit circa 1625 is een vroeg voorbeeld.(afb. 43) Het kabinet heeft strakke structuur volgens de regels van de klassieke bouwkunst, maar een open bovenzone. De kast is versierd met een veelheid aan gesneden motieven - o.a. vrouwelijke deugdpersonificaties en acanthusranken - en ingelegde houtsoorten. Inspiratiebron voor dergelijke meubels waren de gravures van Hans Vredeman de Vries uit 1583, die in 1630 opnieuw werden uitgegeven. In Antwerpen groeide het maken van dergelijke kunstkasten uit tot een belangrijke nijverheidstak. Vooral de kleine kunstkabinetten, met twee deuren waarachter zich lades en vakjes met nissen bevinden waren een Antwerpse specialiteit.(afb. 44) Ze waren bedoeld als bergmeubelen voor een verzameling van kleinoden. Veelal werden de deuren en lades voorzien van beschilderingen door kunstschilders, van zilverbeslag en luxe inlegwerk met hout of schildpad. Het middenvak bood plaats aan een belangrijk kostbaar werk, bijvoorbeeld een zilveren beker of een ivoren beeldje.

  De Vlaamse en Hollandse meubels worden in de 17de eeuw gekenmerkt door rijk inlegwerk, vaak van exotische houtsoorten, schildpad, parelmoer, maar ook van steen, lakwerk uit Japan of spiegelglas. Van het laatste is een sober gevormde Hollandse kunstkast een voorbeeld.(afb. 45) In geopende staat maakt de eenvoud plaats voor rijkdom: men ziet spiegeltjes op de lades, gegraveerd met marines, terwijl het middenvak een perspectivisch doorkijkje biedt waarin geheime lades zijn verwerkt. 

  Inlegwerk was ook de specialiteit van de kunstenaar Dirck van Rijswijck, die omstreeks 1650 in Amsterdam werkzaam was. Hij maakte 'schilderijtjes' van zwarte toetssteen, waarin voorstellingen van bloemen en insecten zijn ingelegd met parelmoer in verschillende kleuren. In zijn tijd was Van Rijswijck een beroemdheid. Reizigers werd in reisgidsen aangeraden zijn atelier te bezoeken. Zijn magnum opus is een achtzijdig tafelblad, dat de kunstenaar vermoedelijk in eigen bezit hield.(afb. 46) Het was zo vermaard dat de dichter Vondel aan deze 'feesttafel der Goden' zelfs een gedicht wijdde.

  Aan het eind van de 17de eeuw nam in de meubelkunst de Franse invloed toe. De Amsterdamse kabinetmaker Jan van Mekeren (1658-1733) liet zich inspireren door het marqueterie-werk van de Fransman André-Charles Boulle en diens Nederlandse voorganger Pierre Gole. Een aan Van Mekeren toegeschreven kabinet is versierd met een overdadige marqueterie van bloemen.(afb. 47) De deuren zijn zelfs als twee grote bloemstillevens opgevat, geheel opgebouwd uit allerlei gekleurde houtsoorten.

  In de late 17de eeuw ontstond ook de typisch Nederlandse mode onder welgestelde dames om kabinetten in te richten als complete miniatuurwoonhuizen. Deze poppenhuizen, gevuld met miniatuurhuisraad dat veelal op bestelling werd vervaardigd, vormen een zeldzaam voorbeeld van vrouwelijk mecenaat. Ze zijn te beschouwen als de vrouwelijke tegenhangers van de kunstkabinetten, die traditioneel voor mannen bestemd waren. Het poppenhuis van Petronella Oortmans, een Amsterdamse koopmansvrouw en kunstverzamelaarster, was in haar tijd al een bezienswaardigheid.(afb. 48) Als bron voor 17de-eeuwse interieurkunst is het nog steeds van zeer grote waarde. Hetzelfde geldt voor het poppenhuis van Sara Rothé dat uit 1743 stamt, maar waarin elementen uit 17de-eeuwse poppenhuizen zijn verwerkt.(afb. 49) Het is gebouwd in een traditioneel model linnenkabinet, dat zijn ware functie pas verraadt als de twee deuren worden geopend. Zo functioneerde het in zekere zin als een kijkkast, die op bijzondere momenten getoond kon worden en vermoedelijk diende te worden opgevat als een zinnebeeld van netheid en van het goede huishouden. Sara Rothé hield zeer nauwgezet bij van wie de miniatuurinventaris van het huis kocht of door wie ze het werk liet maken. Daardoor is dit poppenhuis niet alleen een belangrijk document voor de kennis van de Hollandse burgerlijke interieurkunst in de eerste helft van de 18de eeuw, evenzeer geeft het inzicht in de totstandkoming van zo'n 'miniatuur collectie'. Het toont de Hollandse burgerlijke, barokke wooncultuur op zijn hoogtepunt.

VOLGENDE PAGINA

Boven