Beknopt overzicht van
:
De beeldhouwkunst en de sierkunst van de 16e tot het begin van de
20e eeuw
PAGINA 4
Fiamminghi,
Nederlandse beeldhouwers in Italië
Terwijl kleine aantallen glasblazers en majolicabakkers uit Italië
naar de Lage Landen trokken, was er een omgekeerde beweging die veel
sterker was in de 16de eeuw. Veel kunstenaars trokken over de Alpen
om in Italië de antieken te bestuderen en uit economische motieven.
Belangrijkste reisdoelen waren Rome en Florence. Onder de Italië-gangers waren vooral de Nederlandse beeldhouwers en
zilversmeden opvallend succesvol. Van deze 'fiamminghi' zoals ze
werden genoemd waren Willem van Tetrode (ca. 1525-1580) uit Delft en
Giambologna ('Jehan de Boulogne', 1529-1608) uit Douai in zekere
zin de wegbereiders. Zij werden onmiddellijk gevolgd door een
grotere groep beeldhouwers waartoe Hans Mont (ca. 1545-na 1582) uit
Gent, Elias de Witte uit Brugge (werkzaam in Florence 1567-1574), Johan Gregor van der Schardt uit Nijmegen, Hubert Gerhard (ca.
1540/50-voor 1621) uit 's-Hertogenbosch, Adriaen de Vries
(1556-1626) Pierre de Francqueville ('Francavilla', 1548-1615) uit
Kamerijk, Frans Aspruck (overleden ca. 1575) uit Brussel, Alexander
Colijn (1527-1612) uit Mechelen en de Vlaming Jacob Cornelisz Cobaert
(ca. 1535-1615).
Hun loopbanen vertonen opvlende overeenkomsten: de meesten
verbleven geruime tijd in Italië, zij verwierven opdrachten uit de
hoogste kringen en daarmee een grote reputatie. Vaak werkten zij ook
voor dezelfde groep opdrachtgevers, vooral Italiaanse en Duitse
vorsten. Deze beeldhouwers bepaalden in hoge mate het gezicht van de
sculptuur in Europa. Velen van hen onderscheidden zich als
modelleurs, wier werk in brons werd gegoten. Dat laatste doet
vermoeden dat tenminste een deel van hen in eigen land was opgeleid
als edelsmid. Voor hen was de overstap naar het werken in brons niet
zo groot, want bronssculptuur en edelsmeedkunst hebben diverse
raakvlakken, ondermeer in het modelleren en het ciseleren.
Dat juist de Nederlanders zo'n belangrijk deel uitmaakten van de
succesvolle beeldhouwers in Europa is veroorzaakt door een complex van
factoren. De opkomende Reformatie heeft zeker een rol van betekenis
gespeeld. Het gebruik van beelden stond in de Nederlanden immers
volop ter discussie. Bovendien verloor de roomkatholieke kerk
geleidelijk terrein en daarmee nam haar belangrijke rol als
opdrachtgever voor beeldhouwers af. Een seculier mecenaat voor
beeldhouwkunst - traditioneel het terrein van vorsten en hoge adel
- was er vanaf 1550 nauwelijks nog. Meer dan enig andere kunsttak
werden de beeldhouwers geplaagd door deze mecenaats-verschuivingen.
Het feit dat de Nederlanden vanaf 1568 continu het toneel van
oorlogsvoering vormden, met zeer negatieve effecten op de economie,
zal de emigratie van kunstenaars naar andere delen van Europa hebben benvloed. Het buitenland trok Nederlandse kunstenaars,
beeldhouwers in bijzonder, aan vanwege de kansen op vorstelijke
protectie, waar het in eigen land zozeer aan ontbrak. Het hofkunstenaarsschap was buitengewoon aantrekkelijk, omdat het
allerlei financiële en sociale privileges met zich meebracht en het
kunstenaars bovendien onafhankelijk van de gilden maakte.
Willem van Tetrode werkte vanaf 1550 in Florence, onder meer aan de
sokkel van Cellini's beroemde bronzen Perseus. Later was hij werkzaam
in Rome. Zijn hoofdwerk was een grote kunstkast ('studiolo') voor de
graaf van Pitigliano, versierd met vele bronzen beelden naar Antieke
voorbeelden. Omstreeks 1567 keerde Tetrode naar zijn geboortestad
Delft terug, waar hij werkte aan twee stenen altaren. Ook bracht hij
toen een nieuw fenomeen mee naar zijn vaderland: kleine bronzen
beeldjes voor verzamelaars. Zijn driedimensionale composities in
brons, zoals de Hercules Pomarius (afb. 22), waren van invloed op de
artistieke ontwikkeling van de graficus Goltzius en op de
beeldhouwer Hendrick de Keyser.
De Nijmeegse kunstenaar Johan Gregor van der Schardt vestigde zich
omstreeks 1570 na een loopbaan in Rome, Bologna en Venetië als
hofkunstenaar van keizer Maximiliaan II in Neurenberg. Hij werkte
hier ondermeer aan een grote tafelfontein voor de keizer, waarvan de
vier vergulde beelden van de Jaargetijden bewaard gebleven zijn.
Daarnaast legde hij zich toe op portretten in terracotta, die op
naturalistische wijze werden beschilderd. Zijn zelfportret, een zeer
ambitieuze presentatie van een kunstenaar op het hoogtepunt van zijn
roem, ontstond in deze periode.(afb. 23) Het is een van de eerste
autonome zelfportretten van een beeldhouwer in de westerse kunst en
kan uiteraard niet los gezien worden van de invloed van Dürer's
geschilderde zelfportretten. Daarnaast is Italiaanse invloed
onmiskenbaar in zijn naaktheid en zijn zelfbewuste draaiing van het
hoofd. Het kleine formaat van dit werk suggereert dat het bedoeld was
voor een kunstverzameling, zoals vorsten en patriciërs die in
toenemende mate aanlegden. Inderdaad stamt dit zelfportret uit de Kunstkammer van de rijke Neurenbergse koopman Paulus von Praun.
De meest oorspronkelijke en ook meest succesvolle van de Nederlandse
beeldhouwers in den vreemde was Adriaen de Vries, een leerling van
Giambologna in Florence en later werkzaam aan het keizerlijke hof van
Rudolf II in Praag. De Vries werkte aanvankelijk in de maniëristische
Florentijnse stijl van zijn leermeester Giambologna. Zijn monumentale
bronzen groep Mercurius en Psyche, gemaakt voor keizer Rudolf II, is
daarvan een goed voorbeeld: een complexe, alzijdige compositie van
twee vrijwel zwevende figuren uit circa 1593.(afb. 24) Het beeld is
een technische en compositorische tour de force. Vooral na de dood van
zijn keizerlijke opdrachtgever in 1612 ontwikkelde De Vries een zeer
vrije modelleerstijl, die uiteindelijk culmineerde in een
indrukwekkende reeks bronzen beelden voor de Boheemse edelman Wallenstein. Deze beelden worden gekenmerkt door een losse,
expressieve toets en een bewuste nonchalance in de afwerking.(afb. 25)
Enkele beeldhouwers zochten en vonden emplooi aan Noord-Europese
vorstenhoven, in Engeland, Duitsland en Scandinavië. Zo werkte Willem
Boy (c. 1525-1592) uit Mechelen geruime tijd in Zweden, waar hij als
architect en beeldhouwer zeer succesvol was. Zijn grafmonument voor
koning Gustav Wasa werd in Zweden ontworpen, maar in Mechelen en
Antwerpen uitgevoerd.(afb. 26) Het werk staat in de traditie van
Cornelis Floris en is op te vatten als een versteende triomfkar.
Antwerpse edelsmeden
Antwerpen was in de 16de eeuw het belangrijkste centrum voor de
edelsmeedkunst. Ludovico Guicciardini, in zijn Descrittione di
tutti i Paesi Bassi, telde in 1567 niet minder dan 124
edelsmeden in de stad! Velen van hen werkten waarschijnlijk voor de
vrije markt, maar sommigen onderscheidden zich in bijzondere
opdrachten als technische en artistieke virtuozen. Een verguld
zilveren en geëmailleerde kan en bekken uit 1558/1559 demonstreert
het hoge niveau van de Antwerpse edelsmeedkunst.(afb. 27) Het is een
anoniem gelegenheidsstuk met op de buik van de kan en op het bekken
gedreven reliëfs met de verovering van Tunis door keizer Karel V in
1535. De sater, de slangen, delen van de vrouwenbuste en de
wapentrofeeën op de boven- en onderrand zijn gegoten en zorgvuldig
geciseleerd. Twee jaar na het maken van dit zilverwerk werd het als
hoofdprijs aangeboden in een loterij in Antwerpen, een aanwijzing
van het grote belang van dit werk. Bepaalde onderdelen van de kan
herinneren sterk aan ontwerpen van Cornelis Floris, in bijzonder de
vrouwenbuste en de schelpvormige zijden.
Na 1585 trokken veel zilversmeden uit Antwerpen weg: er zijn meer
dan zestig edelsmeden bekend die hun geluk in het buitenland zochten
tussen 1585 en 1600. Het grootste deel trok overigens naar de
Noordelijke Nederlanden en vormde zo een belangrijke impuls voor de
edelsmeedkunst in de Republiek. Bijna 25 verhuisden naar Frankfurt am
Main, enkele trokken naar Scandinavië, Londen, Frankrijk - waar
Cornelis Rogiers II zelfs goudsmid van de Franse koningin werd - en
naar Italië. Nicolaas Rogiers, broer van de genoemde Cornelis, werd
daar goudsmid van de hertog van Milaan.
De Brusselse edelsmid Jan Vermeyen, opgeleid in Antwerpen, bereikte
de hoogst denkbare positie: hij werd in 1597 benoemd tot 'Kammergoldschmied'
van keizer Rudolf II in Praag. In die functie maakte hij in 1602 de
indrukwekkende kroon van de keizer. Ook de Utrechtse zilversmid Paulus van Vianen werkte tot aan zijn dood in 1613 aan het Praagse
hof. Hij werd beschouwd als de grootste zilversmid van zijn tijd
vanwege zijn virtuoze drijfwerk in zilver. In Florence bereikte de Delftse edelsmid Bylevelt (Biliverti) eenzelfde status als
hofkunstenaar. Hij trad in dienst van Medici-familie. Zijn
bewaardgebleven kasboek uit de jaren 1573-1587 laat zien dat deze
succesvolle kunstenaar een steunpunt voor aankomende kunstenaars
uit de Nederlanden was. In 1580 noteerde hij er de namen van twee
andere fiamminghi die in dezelfde tijd bij Giambologna
werkten: de beeldhouwers Hubert Gerhard en Pierre de Francqueville.
Het is een kleine aanwijzing van het bestaan van een complex,
internationaal netwerk tussen kunstenaars uit de Nederlanden.
Opkomst van
Amsterdam en de noordelijke steden
In Amsterdam en de andere noordelijke steden verbeterde omstreeks
1600 het klimaat voor kunst aanzienlijk. Naarmate de oorlog met Spanje
Holland minder bedreigde en dankzij de instroom van veel talent uit
Vlaanderen - op zoek naar een meer tolerant religieus klimaat en een
betere economische situatie - ontstond een gunstige bedding voor de
kunsten. Artistieke banden met buitenlandse kunstcentra, het Praagse
hof van keizer Rudolf II in het bijzonder, waren van invloed op de
stijl, thematiek en techniek van de Nederlandse kunst. Ofschoon
beeldhouwkunst een betrekkelijk marginale rol speelde na de
Reformatie, laat het zelfbewustzijn van de jonge Republiek zich
juist in een aantal beeldhouwwerken uit deze jaren goed aflezen. De
belangrijkste beeldhouwer in de Republiek was de Amsterdammer Hendrick de Keyser. Deze veelzijdige kunstenaar was
verantwoordelijk voor een aantal belangrijke artistieke
vernieuwingen. Zo introduceerde hij Italiaans marmer uit Carrara
(als vervanger van het traditionele albast) in Nederland en was hij
de eerste die er monumentale beelden in brons maakte.
Zijn portretbuste van de Amsterdamse wijnkoopman Vincent Coster uit
1608 is het vroegstbekende beeldhouwwerk in Carrara marmer in de
Republiek.(afb. 29) De Keyser portretteerde Coster als een Romein
met toga. Dat een welgestelde burger zich op deze wijze liet
vereeuwigen getuigt van een groot zelfbewustzijn en een groeiend
aanzien onder de Hollandse bourgeoisie. Portretbustes waren immers
traditioneel voorbehouden aan vorsten en adel. Het beeld combineert
realisme in de uitbeelding van het iets zijwaarts gerichte gezicht
met klassieke allure in de kleding en in de keuze van het materiaal.
Zijn oplossing voor de overgang van borst naar voetstuk is typisch
voor het Noordelijk manirisme: een grillig gevormd fantasiemasker
ondersteunt de buste.
Vanaf 1614 werkte De Keyser aan twee beeldhouwwerken die tot de
meest oorspronkelijke in Europa zouden gaan behoren. In opdracht van
de stad Rotterdam maakte hij een monumentaal, bronzen standbeeld van Erasmus.(afb. 30) Het is een van de eerste publieke standbeelden voor
een geleerde in Europa. De Keyser portretteerde de beroemde humanist
bovendien in een, voor een standbeeld zeer ongebruikelijke pose:
lopend en lezend in een boek. De wijze van modelleren - in grote,
globale vormen - draagt sterk bij tot het tijdloze en traditieloze
karakter van dit monument.
De Keysers werk aan het Erasmus-standbeeld viel samen met de meest
prestigieuze beeldhouwopdracht die in de Republiek werd verleend in
de eerste helft van de 17de eeuw: het praalgraf voor 'pater patriae'
Willem van Oranje in Delft.(afb. 31) Het monument werd besteld door de
Staten-Generaal, de soevereine macht in de Republiek. Het was bedoeld
als een eerbetoon aan de eerste nationale held van de jonge staat en
tegelijkertijd een demonstratie van de macht van de Republiek.
Terwijl het monument dat De Keyser ontwierp (en dat in 1622 door zijn
zoon Pieter werd voltooid) op het eerste gezicht aansluit bij de
buitenlandse traditie van vorstelijke grafmonumenten, wijkt de
iconografie ervan op signifikante punten af van de buitenlandse
voorgangers. De beeldhouwer ontleende aan het grafmonument voor de
Franse koning Henry II en Catharine de'Medici in St.Denis de
grondvorm: een marmeren baldakijn met op de hoeken bronzen
personificaties van de deugden en het lichaam van de overleden vorst
onder het baldakijn. Hij gaf het werk echter een meer protestantse en
republikeinse betekenis, ondermeer blijkend uit de iconografie van de
vrouwelijke hoekfiguren, zinnebeelden van deugden en van politieke
beginselen: Libertas, Justitia, Religio en Fortitudo. Dit viertal
werd beschouwd als de fundamenten van de jonge Republiek.
De overleden prins werd twee keer op het monument vereeuwigd, in
marmer, informeel liggend op een stromatras, alsof hij zojuist zijn
laatste adem heeft uitgeblazen, en in brons, zittend als triomferende
veldheer. De laatste vorm is een protestantse afwijking van de
roomskatholieke graftraditie, waar de vorst doorgaans als 'priant' in
eeuwig gebed wordt voorgesteld. Protestants was ook plaatsing van het
monument in het koor van de kerk, op de plaats van het
voor-reformatorische hoofdaltaar.
VOLGENDE PAGINA