Beknopt overzicht van
:
De beeldhouwkunst en de sierkunst van de 16e tot het begin van de
20e eeuw
PAGINA 3
Renaissance in de
beeldhouwkunst
De eerste sporen van de nieuwe Renaissance-stijl, die op de
klassieke Oudheid teruggreep en via Italië en Spanje de Nederlanden
bereikte, worden gevonden in het zuiden. Via de adel als opdrachtgever
verspreidde de stijl zich in de eerste helft van de 16de eeuw over het
hele land. Mechelen, waar landvoogdes Margaretha van Oostenrijk in
1507 haar hof vestigde, speelde bij de intrede van de nieuwe stijl
een hoofdrol als cultureel en intellectueel middelpunt van
noordelijke renaissance-stijl en van het humanisme. Margaretha
trok belangrijke buitenlandse kunstenaars aan die een moderne
Italiaans geinspireerde hofstijl introduceerden. Beeldhouwers als
Conrad Meit en Jan Mone van Metz vonden bij haar
emplooi. Meit was afkomstig uit Worms (Duitsland). Hij werkte eerst
in Middelburg voor admiraal Philip van Bourgondië en trad
vervolgens in dienst van het Mechelse hof (1514-1530). Daar legde hij
zich toe op kleine portretten in hout en op bronzen beeldjes naar
Italiaans voorbeeld, bedoeld voor de kunstcollectie van de
landvoogdes of als diplomatieke geschenken. Zijn monumentale
hoofdwerk zijn de graftombes voor Margaretha van Oostenrijk, Margaretha van Savoyen en Philibert van Savoyen in Brou (Bourg-en-Bresse)
uit 1526-1531. Hier domineert in de grafarchitectuur nog een
flamboyante late gotiek, terwijl de gebeeldhouwde figuren - vooral de
putti - een nieuwe, Italiaanse geest uitstralen.
Jan Mone, die zich 'maistre artiste de l'Empereur' mocht noemen en
zo ook signeerde, was uit Lotharingen afkomstig en arriveerde na een
werktijd bij de beeldhouwer Ordoñez in Barcelona in de Nederlanden,
misschien in het gevolg van keizer Karel V. Hij was toen al volledig
vertrouwd met de renaissance stijl, die in Spanje enkele decennia
eerder dan in het noorden zijn intrede had gedaan. In 1521 was Mone in
Antwerpen en een jaar later werd hij naar Brussel ontboden door de
keizer die hem in hofdienst nam. Drie jaar later vinden we hem aan het Mechelse hof van de landvoogdes. Zijn twee gedocumenteerde werken
stammen uit het volgend decennium, het zijn het Martinus-retabel van
Halle (1533) en het Passie-retabel in de Brusselse St. Gudule-kerk
(1538-1541).(afb. 13) Beide zijn hoge, met pilasters gelede bouwsels,
waarin reeksen van reliefs zijn opgenomen. Hun architecturale
structuur en de ornamentiek zijn sterk Italiaans van karakter en
herinneren aan het werk van Sansovino.
De aanwezigheid van zulke internationaal georiënteerde beeldhouwers
in Mechelen was vanzelfsprekend ook merkbaar in de lokale
beeldenproductie. Italiaanse invloed is bijvoorbeeld te bespeuren in
een beeld van de heilige Sebastiaan uit omstreeks 1525, dat werd
gemaakt voor het Onze-Lieve-Vrouw-Gasthuis, een Mechels ziekenhuis.(afb.
14) De met pijlen doorboorde martelaar is door de beeldsnijder niet
in de traditionele, getormenteerde houding uitgebeeld, maar in
plaats daarvan heeft het lichaam een elegante curve gekregen en een lieflijk, berustend gelaat. De maker liet zich duidelijk inspireren
door een nieuw schoonheidsideaal, waarbij het lichaam werd
gemodelleerd naar een klassieke voorbeelden.
Klassieke inspiratie is nog explicieter in het werk van de
beeldhouwer-architect Jacques du Broeucq (1505-1584), die werkzaam was
in Mons maar tussen 1530 en 1535 in Italië verbleef. Zijn hoofdwerk
was het oxaal van de kerk aldaar, dat helaas is ontmanteld. De reliëfs
en beelden ervan zijn echter bewaard gebleven en daaraan is duidelijk
de Italiaanse invloed te zien. De personificatie van de deugd
Fortitudo met de gebroken zuil als haar attribuut is uitgebeeld als
een antieke godin met klassieke kleding en sandalen.(afb. 15) De haast
archeologische benadering bij het uitbeelden van kleding en
ornamenten uit de Oudheid is kenmerkend voor Du Broeucq en zijn
tijdgenoten. Ook het strakke, klassieke gezichtstype van Fortitudo
verraadt de kennis van klassieke sculptuur of van eigentijdse
Italiaanse voorbeelden, zoals het werk van Andrea Sansovino. Zelfs
het decoratieprogramma van het oxaal ademt de geest van humanisme en
renaissance: deugden als Fortitudo waren een betrekkelijk nieuw
verschijnsel in de kunst van het Noorden.
Een kunstenaar die omstreeks het midden van de eeuw het boegbeeld
zou gaan vormen van de nieuwe stijl in de beeldhouwkunst en
kunstnijverheid was de Antwerpse beeldhouwer Cornelis Floris
(1514-1575). Zijn werk kenmerkt zich door een menging van Italiaanse
groteske motieven en eigen inventies, waardoor een zeer herkenbare,
eigen stijl ontstond die wel als de Floris-stijl wordt aangeduid.
Karakteristiek is het band- en rolwerk, een decoratief systeem van
deels omkrullende metalen banden in geometrische patronen, afgewisseld
met menselijke figuren, maskerons, vruchten of fantastische dieren.
Omdat Floris, net als zijn tijdgenoten Cornelis Bos en Hans Vredeman
de Vries, zijn ontwerpen in prentreeksen uitgaf, bereikte hij een
groot publiek en kon zijn stijl zich snel verspreiden. Zijn ontwerpen
waren gericht op praktische toepassing, bijvoorbeeld in de bouwkunst,
in edelsmeedwerk, de boekdrukkunst of de beeldhouwkunst.
Floris' atelier realiseerde de meest uiteenlopende
beeldhouwprojecten. De sacramentstoren voor de Leonarduskerk in
Zoutleeuw, een particuliere schenking aan de kerk, werd Floris in 1550
opgedragen.(afb. 15) Het was het eerste grote sculpturale project
van de kunstenaar. Hij ontwierp een negen etages tellende vijfhoekige
toren van 18 meter hoogte, die ondanks de overdadige, virtuoos
gebeeldhouwde ornamentiek, een heldere structuur heeft. In de open
nissen van de toren zijn steeds gebeeldhouwde scenes uit het Oude en
Nieuwe Testament opgenomen, die deels verwijzen naar de functie van
het monument als tabernakel. Karakteristiek is het toepassen van karyatiden in de architectuur.
Karyatiden vormen ook het hoofdmotief in het grafmonument voor de
Deense koning Frederik I in de dom van Schleswig dat Floris omstreeks
1553 voltooide. In dat jaar stond het althans compleet in zijn
atelier in afwachting van het transport naar Denemarken. De zes
albasten karyatiden - personificaties van de deugden van de koning -
dragen de tombe met het in staatsieharnas opgebaarde lichaam van Frederik op een antikiserend praalbed. Het succes van dit monument
leidde tot belangrijke vervolgopdrachten van het Deense en Pruisische
hof. Voor het hertogelijke hof in Königsberg (Kaliningrad) leverde
hij het praalgraf voor Albrecht van Brandenburg, zwager van de Deense
koning, bestemd voor de plaatselijke dom (1568-1570).
Belangrijker was echter zijn grote grafmonument voor koning Christiaan III, het enige baldakijngraf in zijn oeuvre, opgericht in
de kerk van Roskilde omstreeks 1575.(afb. 16) Het werd gebaseerd op
een Frans voorbeeld: het mausoleum voor koning Henri II en Catharina
de'Medici in St.Denis. Uitzonderlijkerwijs is ook het getekende
ontwerp van dit monument bewaardgebleven; het is gedateerd 15 februari
1573.(afb. 17) In grote lijnen is het ontwerp ook uitgevoerd. Het
grafmonument bestaat uit een baldakijn waaronder de overleden vorst
('gisant') ligt op een stromatras, terwijl hij in geknielde houding
eeuwig biddend ('priant') bovenop het monument is weergegeven. Floris
volgde hierin het Franse voorbeeld. De hoekfiguren die in St.Denis
bronzen deugdpersonificaties zijn, werden door hem getransformeerd in
albasten wachters en schilddragers. Ten opzichte van het ontwerp
veroorloofde Floris zich ook enkele wijzigingen: de richting van de
geknielde Deense koning werd gedraaid, kleine treurende putti werden
op het dak van het baldakijn toegevoegd en de stromatras omgekeerd.
In de decoratie zijn karakteristieke Floris-motieven te vinden zoals
de vrouwenfiguren (personificaties van Victoria) tussen de bogen en
het rijk gebeeldhouwde fries met acanthusranken, hermen,
bandwerk-cartouches en fruit-guirlandes.
Deze elementen zijn bijvoorbeeld ook aanwezig in het oxaal voor de
kathedraal van Tournai, dat hij omstreeks 1570 maakte. Ook hier
werkte Floris een heldere architectonische structuur uit in drie
kleuren steen: zwart marmer voor de contourlijnen, wit albast en
stucwerk voor de decoratieve velden en roodgeaderd marmer voor de
zuilen en de nissen. Meer dan in zijn vroege werk, zoals in Zoutleeuw,
is het decoratieve ondergeschikt gemaakt aan de structuur van het
geheel. Architectuur en ornamentiek zijn in harmonie en ademen een
sterke Italiaanse, classicistische geest.
Floris moet een groot atelier hebben gehad met een goed
georganiseerde arbeidsverdeling om deze grote en uiteenlopende
opdrachten te kunnen volvoeren. Het model van de ver doorgevoerde
werkverdeling, die in de Antwerpse retabel-productie gebruikelijk
was, zou door Floris kunnen zijn overgenomen. Over de
atelier-organisatie en over zijn medewerkers is echter zeer weinig
bekend. De invloed van Floris' renaissance stijl is bespeurbaar in
allerlei vormen van beeldhouwkunst en kunstnijverheid. Goed zichtbaar
is dat in het werk van de 'cleynstekers', de gespecialiseerde Mechelse albastwerkers, die zich toelegden op de productie van
huisaltaren.(afb. 18). Het huisaltaar met het Laatste Avondmaal,
gevat in een rijkgesneden houten lijst, heeft dezelfde heldere opbouw
als de grote werken van Mone en Floris. De decoratie is echter minder
Italiaans geïnspireerd. Kandelabermotieven en grotesken hebben
plaats gemaakt voor band- en rolwerk met mythische wezens als
griffioenen en faunen, ontleend aan de gegraveerde ontwerpen van Floris.
In de Noordelijke Nederlanden kwam de Renaissance-stijl iets later
op gang dan in Vlaanderen. Voor de verspreiding ervan waren adellijke
families, die veel aan de Zuid-Nederlandse hoven verbleven van grote
betekenis. Hendrik III, graaf van Nassau, die in Breda resideerde,
huwde de Spaanse edelvrouw Mencia de Mendoza. Hij verbleef als
diplomaat in dienst van Karel V van 1522 tot 1530 in Spanje en Italië
en de kennismaking met de Spaanse hofcultuur moet voor hem
aanleiding zijn geweest tot het stichten van een groots hof in Breda.
Hij nam de schilder-architect Tommaso Vincidor uit Bologna, een
medewerker van Rafaël, in de arm voor de verbouwing van het oude
Bredase kasteel. Daarnaast liet hij in de Grote kerk van de stad een
uitzonderlijk grafmonument oprichten voor zijn oom Engelbrecht II,
waarvoor hij gebruikmaakte van de diensten van een nog onbekende
beeldhouwer.(afb. 19) De uitzonderlijke iconografie suggereert dat de
maker een vooraanstaand kunstenaar was en het is daarom niet
onmogelijk dat Vincidor de hand in het ontwerp heeft gehad. Het
monument is in feite een versteend en symbolisch begrafenis-ritueel:
vier legendarische veldheren uit de Oudheid dragen een grote stenen
dekplaat met het harnas en de wapens van de gestorvene, die samen met
zijn echtgenote onder de dekplaat liggen. Zij zijn als 'transi'
uitgebeeld, ontluisterde, half ontklede lichamen in lijkwades. Het
monument heeft in de 17de eeuw veel belangstelling getrokken en
werden twee keer geimiteerd in Engelse grafmonumenten. Van de
aandacht voor de Italiaanse renaissance in Breda ging een zeer
stimulerende werking uit. Rond het Nassause praalgraf werden in de
loop van de 16de eeuw nog verschillende grafmonumenten en epitafen
opgericht voor vooraanstaande hovelingen, die in dezelfde stijl
werden gemaakt. De invloed van Cornelis Floris is bij sommige ervan
evident.
In de provincie Utrecht speelde een andere adellijke familie een
sleutelrol bij de verspreiding van de renaissance stijl: de Brederodes. In Vianen werd voor Reinoud van Brederode (overleden
1556) en zijn echtgenote Philippote van der Marck (overleden 1537) een
zeer bijzonder grafmonument opgericht in renaissance stijl.(afb. 20)
Hij was een van de belangrijkste edelen in het land, zij een zuster
van de Luikse prins-bisschop Erard van der Marck die tot de eersten
behoorde die de nieuwe stijl omarmde. Het monument dat tussen 1540 en
1556 werd opgericht laat de twee echtelieden zien op een grote
grafplaat, gekleed in hun lijkwades. Onder de plaat ligt een vergaan
lichaam op een stromatras. De dekplaat rust op pilasters, die met
renaissance motieven zijn versierd. De langgerekte, elegante engelen
aan hoofd- en voeteneinde houden een vlammende toorts omhoog. Zij zijn
zeer verwant aan werk van de Utrechtse schilder Jan van Scorel, die
zelf in Italië was geweest en al vroeg bekend was met de Italiaanse
renaissancestijl. Het is goed mogelijk dat Van Scorel ook voor het
ontwerp van het grafmonument verantwoordelijk was - mede omdat hij
een zakelijke relatie had met Reinoud van Brederode. De uitvoering zou
echter goed het werk geweest kunnen zijn van de belangrijkste
beeldhouwer in Utrecht in deze jaren, Colijn de Nole, die afkomstig
was uit Cambrai en sinds 1530 in Utrecht werkte.
Zijn enig gedocumenteerde werk stamt uit 1545; het is de
rijkgebeeldhouwde, zandstenen schouw van het Raadhuis in Kampen, een
van de eerste grote stedelijke opdrachten in de nieuwe stijl.(afb. 21)
Het iconografisch programma van de schouw was klassiek geinspireerd,
met thema's ontleend aan de Oudheid als exempla voor de raadsheren.
Deze exemplarische reliëfs zijn omkaderd door allerlei Italiaanse
motieven, zoals karyatiden, hermen, saters, kandelabers,
schelpvormige nissen, deugdpersonificaties en zittende putti. Vooral
de beelden van de deugden Geloof, Hoop en Liefde behoren door hun
plooival, gezichtstypen en houdingen tot de meest gave voorbeelden
van de all'antica stijl in het Noorden.
VOLGENDE PAGINA