Beknopt overzicht van
:
De beeldhouwkunst en de sierkunst van de 16e tot het begin van de
20e eeuw
PAGINA 2
Enkele
specialisaties
Het fenomeen van seriematig, efficiënt werken beperkte zich
geenszins tot de altaarproductie in Vlaanderen. De toenemende
welvaart en handelsexpansie gedurende de 16de eeuw werkte
specialisatie onder kunstenaars in de hand. Ook was er sprake van
concentratie van specifieke kunsttakken in bepaalde steden. In
Brussel en Oudenaarde concentreerden zich bijvoorbeeld de
tapijtweverijen, in Antwerpen de majolica-productie en de
glasblaaskunst, in Mechelen de albastsculptuur (cleynstekers) en het
maken van kleine houten heiligenbeeldjes ('poupées de Malines'), in
Utrecht de productie van goedkope pijpaarden beeldjes en van
zandstenen schouwen.
Onduidelijk is waar de productie van het microsnijwerk gesitueerd
moet worden, al is zeker dat deze speciale kunsttak in een van de
grotere Vlaamse steden plaatsvond. Enkele ateliers maakten hier in de
eerste helft van de 16de eeuw allerlei kleinoden uit buxushout
bestemd voor privé-devotie, zoals rozenkransen, gebedsnoten en miniatuur-altaren. De gebedsnoot die aan de verder onbekende snijder
Adam Dircksz. wordt toegeschreven heeft het wapen van de Delftse
regent Evert Jansz. van Bleiswijk (1460-1531). Het stuk werd dus in
opdracht vervaardigd.(afb. 7) Het is een balletje van buxushout, dat
met een scharnier in twee helften openvalt. Binnenin zijn twee
minuscule reliëfs aangebracht die op een oppervlak van enkele
vierkante centimeters een grote variatie aan details laten zien die
alleen door de grote retabels wordt geëvenaard. De bezitter van het
voorwerp kon het stuk als een sieraad aan zijn gordel dragen en zo
overal en op elk moment zijn devotionele behoefte bevredigen.
Bovendien onderstreepte het zijn welvarende status.
Een gelijksoortige artistieke virtuositeit is zichtbaar in een
miniatuur retabel uit hetzelfde atelier.(afb. 8) Ook dit werkstuk
diende de private godsdienstoefening, maar zal zeker ook als
kunstwerk per se zijn tentoongesteld. De ongelooflijke
hoeveelheid details zijn een lust voor het oog en zullen de
toeschouwers hebben vermaakt en verbaasd. In die zin moet het stuk
worden gezien als een voorloper van de latere Kunstkammer-werken,
kunstwerken die om hun zeldzaamheid en kunstigheid werden verzameld
door vorsten en vermogende burgers. Onder de kopers van het
microsnijwerk bevonden zich dan ook zeer vooraanstaande personen,
leden van hoogadellijke families en zelfs de Engelse koning Hendrik VIII.
De vestiging van een klein aantal Italiaanse pottenbakkers in de
Nederlanden aan het begin van de 16de eeuw had verstrekkende
gevolgen. Al in 1508 vestigde de majolicabakker ('geleybakker')
Guido da Savino uit Castel Durante zich in Antwerpen, en enkele jaren
later waren ook twee andere Italiaanse emigranten - Janne Maria da
Capua en Johannes Franciscus de Brescia - in deze nieuwe
nijverheidstak werkzaam. Zij importeerden hoogwaardige
artistieke en technologische kennis voor het produceren van luxe
ceramiek uit hun vaderland en legden zo de basis voor een bloeiend
Antwerps majolicabedrijf in de tweede helft van de eeuw. De tweede
generatie pottenbakkers assimileerde volledig met de lokale
bevolking. Ze bedienden het bovenste segment van de markt voor
ceramiek.
Kenmerkend voor deze vroegste Antwerpse majolicaproducten is de
sterke Italiaanse invloed, zowel in technische zin als qua decoratie.
Op een witte ondergrond van tinglazuur werd met verschillende kleurige
pigmenten een decoratie aangebracht, die aanvankelijk vooral uit
florale motieven bestond, al dan niet gecombineerd met figuratieve scenes. Een kan van de majolicabakker Franchois Frans laat zien op
welk niveau deze Antwerpse pottenbakkers werkten.(afb. 9) In een geel
fond zijn grotesken en maskerons uitgespaard, die herinneren aan de
decoraties die Raphaël in de Vaticaanse 'stanza's' ontwierp. In
medaillons zijn kleine bijbelse voorstellingen over Tobias geschilderd
in de traditie van de Italiaanse 'istoriato' decoraties.
Franchois Frans was getrouwd met de weduwe van een van de
majolicabakkers van het eerste uur, Guido Andries (da Savino). Frans
leidde diens werkplaats van 1543 tot 1563, een periode waarin de vraag
naar majolica enorm steeg. Dat deze zich niet beperkte tot Antwerpen
blijkt uit de bestelling van de Cisterciënzer abt Rekamp uit het
afgelegen Groningse Aduard. In 1547 bestelde hij een tweetal
geglazuurde tegels met zijn eigen wapen en dat van de kloosterorde
erop. Ze werden aangebracht in het refugium van het klooster in de
stad Groningen. Ook zijn bestellingen bekend vanuit Portugal en
Engeland. Het succes van het nieuwe product zette een aantal
Antwerpse majolicabakkers zelfs aan tot expansie: zij vestigden zich
in de loop van de 16de eeuw in plaatsen als Haarlem, Middelburg,
Amsterdam en het Engelse Norwich. Hun werk vormde de grondslag voor
de ontwikkeling van de Noord-Nederlandse majolicaproductie en
uiteindelijk, in de 17de eeuw, voor het Delfts aardewerk.
De geschiedenis van de luxe glasproductie in de Nederlanden is zeer
verwant aan die van het majolica. In Italië concentreerde de
glasindustrie zich in Venetië, Florence en in Altare bij Genua.
Ondanks strenge straffen op emigratie door Venetiaanse glasmakers,
vestigden velen van hen zich in de loop van de 16de eeuw elders in
Europa. Een van de eerste, op Venetiaanse leest geschoeide glashuizen
boven de Alpen werd in 1549 in Antwerpen opgericht nadat eerdere
pogingen waren mislukt. De stad groeide spoedig uit tot het
belangrijkste glascentrum in Noordwest-Europa, waar alle Venetiaanse technieken en glastypen werden toegepast. Ook verbleven
veel Venetianen eerst enige tijd in Antwerpen alvorens zich elders in
Europa te vestigen. Zo vinden we de glasmaker Giacomo Verzelini, die
in 1522 in Venetië werd geboren, in 1556 in Antwerpen waar hij ook
trouwde. Zestien jaar later verhuisde hij naar Londen om daar een
bestaand glashuis voort te zetten.
Door de export van Venetiaanse technologie en talent kwam de
soortnaam 'à la façon de Venise' voor dit luxe glas al in het midden
van de 16de eeuw in zwang. Omdat de technieken en vormen van het
Italiaanse en het 'façon-glas' zo overeenkomen is het vaak zeer
moeilijk de Nederlandse herkomst van een glas vast te stellen. Een
aanwijzing daarvoor biedt de Monstrance van het Glashuis Colinet in
Henegouwen, beter bekend als de Catalogus Colinet. Dit 16de-eeuwse
handschrift is een vroeg voorbeeld van een verkoopcatalogus, een
handschrift met kleine pentekeningen en korte beschrijvingen van de
verschillende modellen die het glashuis kon leveren. Een bol,
transparant glas op ronde voet, geheel versierd met kleine leeuwemaskers komt in verwante vorm ook voor in de Colinet catalogus
als een 'cibore', een oude naam voor een glas voor bier of wijn.(afb.
10, 11) Ze werden naar keuze met of zonder deksel geleverd. Het model
en de decoraties werden in dit geval waarschijnlijk aan een voorbeeld
in zilver ontleend. Dat de glasblazers die het façon de Venise maakten zo goed in staat waren dergelijke modellen van edelmetaal te
reproduceren bewijst hun grote technische vaardigheid.
Karakteristieken van dit verfijnde en elegante glas zijn de heldere,
dunne glaswand en de subtiele decoratieve accenten, de ribben, de
reliëfmaskers, de kleine turquoise glasparels en de vergulding.
In 1581 vestigde de eerste 'glasmaker Venetiaanse stijl' zich vanuit
Antwerpen in de Noordelijke Nederlanden: Govaert van der Haghe kreeg van de stad Middelburg een vestigingsvergunning en een
jaarlijkse subsidie. Zijn glashuis beheerste binnen tien jaar de hele
markt van de Noordelijke Nederlanden voor façon-glas. Bij zijn dood in
1605 nam een Italiaan, Antonio Miotti, de glasfabriek over. Het
bedrijf had toen, naast de glasblazers, ongeveer zestig kinderen en
weduwes in dienst! Na Middelburg volgden andere steden: Amsterdam in
1597, Rotterdam en Den Haag in de vroege 17de eeuw gevolgd door
kleinere en vaak weinig succesvolle bedrijfjes in kleinere plaatsen
als Gorkum, Nijmegen of Zutphen.
Een verwante kunsttak, die zich vooral in Antwerpen ontplooide, was
het beschilderen van glasruitjes, vaak in serie. Het merendeel van de
productie werd gedaan door anonieme glasschilders, die gebruik
maakten van ontwerpen van andere kunstenaars of van bestaande
grafische voorbeelden. Van enkele kunstschilders is eigenhandig
glasschilderwerk bekend, zoals Dirck Crabeth (werkzaam c. 1540-1570)
uit Gouda en de oudere Dirck Vellert (ca. 1480-1540) uit Antwerpen.
Met de precisie van een pentekenaar schilderde de laatste de Triomf
van de eeuwigheid, een voorstelling uit een reeks naar I
Trionfi van Petrarca.(afb. 12) Op een triomfwagen, getrokken
door de vier symbolen van de evangelisten - engel, adelaar, stier en
leeuw - troont de Drieëenheid als symbool van de eeuwigheid. Het ruim
20 centimeter hoge ruitje is gesigneerd DV en gedateerd 1517, wat
wijst op het hoge belang dat aan dergelijk werk werd gehecht. De
oorspronkelijke bestemming van dit glaspaneeltje is onbekend; wel
zijn series ruitjes met de Trionfi bekend uit woonhuizen van
vermogende burgers. Gezien het onderwerp zal de opdrachtgever een
humanistische achtergrond hebben gehad.
VOLGENDE PAGINA