LowCountriesSculpture.org 

 

Genootschap gesticht in 2002 voor studie en behoud van beeldhouwkunst uit de Lage Landen

 

 

VORIGE PAGINA

Beknopt overzicht van :

De beeldhouwkunst en de sierkunst van de 16e tot het begin van de 20e eeuw

PAGINA 2

Enkele specialisaties

  Het fenomeen van seriematig, efficiënt werken beperkte zich geenszins tot de altaarproductie in Vlaanderen. De toenemende welvaart en handelsexpansie gedurende de 16de eeuw werkte specialisatie onder kunstenaars in de hand. Ook was er sprake van concentratie van specifieke kunsttakken in bepaalde steden. In Brussel en Oudenaarde concentreerden zich bijvoorbeeld de tapijtweverijen, in Antwerpen de majolica-productie en de glasblaaskunst, in Mechelen de albastsculptuur (cleynstekers) en het maken van kleine houten heiligenbeeldjes ('poupées de Malines'), in Utrecht de productie van goedkope pijpaarden beeldjes en van zandstenen schouwen.

  Onduidelijk is waar de productie van het microsnijwerk gesitueerd moet worden, al is zeker dat deze speciale kunsttak in een van de grotere Vlaamse steden plaatsvond. Enkele ateliers maakten hier in de eerste helft van de 16de eeuw allerlei kleinoden uit buxushout bestemd voor privé-devotie, zoals rozenkransen, gebedsnoten en miniatuur-altaren. De gebedsnoot die aan de verder onbekende snijder Adam Dircksz. wordt toegeschreven heeft het wapen van de Delftse regent Evert Jansz. van Bleiswijk (1460-1531). Het stuk werd dus in opdracht vervaardigd.(afb. 7) Het is een balletje van buxushout, dat met een scharnier in twee helften openvalt. Binnenin zijn twee minuscule reliëfs aangebracht die op een oppervlak van enkele vierkante centimeters een grote variatie aan details laten zien die alleen door de grote retabels wordt geëvenaard. De bezitter van het voorwerp kon het stuk als een sieraad aan zijn gordel dragen en zo overal en op elk moment zijn devotionele behoefte bevredigen. Bovendien onderstreepte het zijn welvarende status.

  Een gelijksoortige artistieke virtuositeit is zichtbaar in een miniatuur retabel uit hetzelfde atelier.(afb. 8) Ook dit werkstuk diende de private godsdienstoefening, maar zal zeker ook als kunstwerk per se zijn tentoongesteld. De ongelooflijke hoeveelheid details zijn een lust voor het oog en zullen de toeschouwers hebben vermaakt en verbaasd. In die zin moet het stuk worden gezien als een voorloper van de latere Kunstkammer-werken, kunstwerken die om hun zeldzaamheid en kunstigheid werden verzameld door vorsten en vermogende burgers. Onder de kopers van het microsnijwerk bevonden zich dan ook zeer vooraanstaande personen, leden van hoogadellijke families en zelfs de Engelse koning Hendrik VIII.

  De vestiging van een klein aantal Italiaanse pottenbakkers in de Nederlanden aan het begin van de 16de eeuw had verstrekkende gevolgen. Al in 1508 vestigde de majolicabakker ('geleybakker') Guido da Savino uit Castel Durante zich in Antwerpen, en enkele jaren later waren ook twee andere Italiaanse emigranten - Janne Maria da Capua en Johannes Franciscus de Brescia - in deze nieuwe nijverheidstak werkzaam. Zij importeerden hoogwaardige artistieke en technologische kennis voor het produceren van luxe ceramiek uit hun vaderland en legden zo de basis voor een bloeiend Antwerps majolicabedrijf in de tweede helft van de eeuw. De tweede generatie pottenbakkers assimileerde volledig met de lokale bevolking. Ze bedienden het bovenste segment van de markt voor ceramiek. 

  Kenmerkend voor deze vroegste Antwerpse majolicaproducten is de sterke Italiaanse invloed, zowel in technische zin als qua decoratie. Op een witte ondergrond van tinglazuur werd met verschillende kleurige pigmenten een decoratie aangebracht, die aanvankelijk vooral uit florale motieven bestond, al dan niet gecombineerd met figuratieve scenes. Een kan van de majolicabakker Franchois Frans laat zien op welk niveau deze Antwerpse pottenbakkers werkten.(afb. 9) In een geel fond zijn grotesken en maskerons uitgespaard, die herinneren aan de decoraties die Raphaël in de Vaticaanse 'stanza's' ontwierp. In medaillons zijn kleine bijbelse voorstellingen over Tobias geschilderd in de traditie van de Italiaanse 'istoriato' decoraties.

  Franchois Frans was getrouwd met de weduwe van een van de majolicabakkers van het eerste uur, Guido Andries (da Savino). Frans leidde diens werkplaats van 1543 tot 1563, een periode waarin de vraag naar majolica enorm steeg. Dat deze zich niet beperkte tot Antwerpen blijkt uit de bestelling van de Cisterciënzer abt Rekamp uit het afgelegen Groningse Aduard. In 1547 bestelde hij een tweetal geglazuurde tegels met zijn eigen wapen en dat van de kloosterorde erop. Ze werden aangebracht in het refugium van het klooster in de stad Groningen. Ook zijn bestellingen bekend vanuit Portugal en Engeland. Het succes van het nieuwe product zette een aantal Antwerpse majolicabakkers zelfs aan tot expansie: zij vestigden zich in de loop van de 16de eeuw in plaatsen als Haarlem, Middelburg, Amsterdam en het Engelse Norwich. Hun werk vormde de grondslag voor de ontwikkeling van de Noord-Nederlandse majolicaproductie en uiteindelijk, in de 17de eeuw, voor het Delfts aardewerk.

  De geschiedenis van de luxe glasproductie in de Nederlanden is zeer verwant aan die van het majolica. In Italië concentreerde de glasindustrie zich in Venetië, Florence en in Altare bij Genua. Ondanks strenge straffen op emigratie door Venetiaanse glasmakers, vestigden velen van hen zich in de loop van de 16de eeuw elders in Europa. Een van de eerste, op Venetiaanse leest geschoeide glashuizen boven de Alpen werd in 1549 in Antwerpen opgericht nadat eerdere pogingen waren mislukt. De stad groeide spoedig uit tot het belangrijkste glascentrum in Noordwest-Europa, waar alle Venetiaanse technieken en glastypen werden toegepast. Ook verbleven veel Venetianen eerst enige tijd in Antwerpen alvorens zich elders in Europa te vestigen. Zo vinden we de glasmaker Giacomo Verzelini, die in 1522 in Venetië werd geboren, in 1556 in Antwerpen waar hij ook trouwde. Zestien jaar later verhuisde hij naar Londen om daar een bestaand glashuis voort te zetten. 

  Door de export van Venetiaanse technologie en talent kwam de soortnaam 'à la façon de Venise' voor dit luxe glas al in het midden van de 16de eeuw in zwang. Omdat de technieken en vormen van het Italiaanse en het 'façon-glas' zo overeenkomen is het vaak zeer moeilijk de Nederlandse herkomst van een glas vast te stellen. Een aanwijzing daarvoor biedt de Monstrance van het Glashuis Colinet in Henegouwen, beter bekend als de Catalogus Colinet. Dit 16de-eeuwse handschrift is een vroeg voorbeeld van een verkoopcatalogus, een handschrift met kleine pentekeningen en korte beschrijvingen van de verschillende modellen die het glashuis kon leveren. Een bol, transparant glas op ronde voet, geheel versierd met kleine leeuwemaskers komt in verwante vorm ook voor in de Colinet catalogus als een 'cibore', een oude naam voor een glas voor bier of wijn.(afb. 10, 11) Ze werden naar keuze met of zonder deksel geleverd. Het model en de decoraties werden in dit geval waarschijnlijk aan een voorbeeld in zilver ontleend. Dat de glasblazers die het façon de Venise maakten zo goed in staat waren dergelijke modellen van edelmetaal te reproduceren bewijst hun grote technische vaardigheid. Karakteristieken van dit verfijnde en elegante glas zijn de heldere, dunne glaswand en de subtiele decoratieve accenten, de ribben, de reliëfmaskers, de kleine turquoise glasparels en de vergulding.

  In 1581 vestigde de eerste 'glasmaker Venetiaanse stijl' zich vanuit Antwerpen in de Noordelijke Nederlanden: Govaert van der Haghe kreeg van de stad Middelburg een vestigingsvergunning en een jaarlijkse subsidie. Zijn glashuis beheerste binnen tien jaar de hele markt van de Noordelijke Nederlanden voor façon-glas. Bij zijn dood in 1605 nam een Italiaan, Antonio Miotti, de glasfabriek over. Het bedrijf had toen, naast de glasblazers, ongeveer zestig kinderen en weduwes in dienst! Na Middelburg volgden andere steden: Amsterdam in 1597, Rotterdam en Den Haag in de vroege 17de eeuw gevolgd door kleinere en vaak weinig succesvolle bedrijfjes in kleinere plaatsen als Gorkum, Nijmegen of Zutphen.

  Een verwante kunsttak, die zich vooral in Antwerpen ontplooide, was het beschilderen van glasruitjes, vaak in serie. Het merendeel van de productie werd gedaan door anonieme glasschilders, die gebruik maakten van ontwerpen van andere kunstenaars of van bestaande grafische voorbeelden. Van enkele kunstschilders is eigenhandig glasschilderwerk bekend, zoals Dirck Crabeth (werkzaam c. 1540-1570) uit Gouda en de oudere Dirck Vellert (ca. 1480-1540) uit Antwerpen. Met de precisie van een pentekenaar schilderde de laatste de Triomf van de eeuwigheid, een voorstelling uit een reeks naar I Trionfi van Petrarca.(afb. 12) Op een triomfwagen, getrokken door de vier symbolen van de evangelisten - engel, adelaar, stier en leeuw - troont de Drieëenheid als symbool van de eeuwigheid. Het ruim 20 centimeter hoge ruitje is gesigneerd DV en gedateerd 1517, wat wijst op het hoge belang dat aan dergelijk werk werd gehecht. De oorspronkelijke bestemming van dit glaspaneeltje is onbekend; wel zijn series ruitjes met de Trionfi bekend uit woonhuizen van vermogende burgers. Gezien het onderwerp zal de opdrachtgever een humanistische achtergrond hebben gehad.

VOLGENDE PAGINA

Boven