LowCountriesSculpture.org 

 

Genootschap gesticht in 2002 voor studie en behoud van beeldhouwkunst uit de Lage Landen

 

 

RETOUR NAAR HET MENU

Beknopt overzicht van :

De beeldhouwkunst en de sierkunst van de 16e tot het begin van de 20e eeuw

door Frits Scholten

 Dit hoofdstuk is de originele versie die vertaald werd naar het Frans en gepubliceerd werd in het boek L'art flamand et hollandais, 1520-1914, onder redactie van Thomas DaCosta Kaufmann, en gepubliceerd in oktobre 2002 door de Parijse uitgever Citadelles & Mazenod. Het boek kan direct besteld worden bij de uitgever, via deze internet verwijzing:

http://www.citadelles-mazenod.com/fr/catalog/livre.asp?idLivre=4930913

Hoofdstuk gereproduceerd met de toelating van de uitgever.

PAGINA 1

Toen Albrecht Dürer in 1521 op het hoogtepunt van zijn roem, als de meest aanzienlijke schilder boven de Alpen, een reis naar de Nederlanden ondernam, stond zijn einddoel vast: Antwerpen. De Scheldestad was vanuit zakelijke en artistieke overwegingen een verstandig reisdoel. Antwerpen had Venetië gepasseerd als het belangrijkste handelscentrum van de westerse wereld en zou gedurende de eerste helft van de 16de eeuw de wereldhandel domineren. Bovendien was de stad in die jaren uitgegroeid tot een van de belangrijkste culturele knooppunten van Europa. Antwerpen was een culturele metropool: een groot artistiek productiecentrum, een centrum van culturele innovatie én een stad van waaruit de omliggende wereld cultureel werd gevoed. Er werkten vele kunstenaars in allerlei disciplines aan vastomlijnde opdrachten en tegelijkertijd werd efficiënt geproduceerd voor de vrije markt. De productie en handel in kunst was hier, meer dan elders, tot een hoogontwikkelde tak van de economie geworden. Met recht gaf Lodovico Guicciardini in 1566 de kunsten dan ook ruime aandacht in zijn beschrijving van de Lage Landen.

  De Scheldestad schaarde zich in één rij met Florence, Rome en Venetië. Antwerpen bezat een hoogontwikkelde culturele infrastructuur met een grote en diverse kunstenaarspopulatie, een levendige kunstmarkt - vanaf 1540 zelfs een permanente verkooptentoonstelling van schilderijen - en een goed netwerk van handelscontacten en exportmogelijkheden. In het 'kunstlandschap' van de Nederlanden was Antwerpen ontegenzeggelijk de hoofdstad, met een invloedssfeer die zich uitstrekte tot ver achter de culturele horizon.

  Antwerpens bevolking groeide enorm in de periode van Dürers bezoek: in late 15de eeuw bedroeg het aantal inwoners circa 30.000 en omstreeks 1565 was dat getal ruimschoots verdrievoudigd. Ter vergelijking, Haarlem bezat omtreeks 1500 ongeveer 12.000 zielen, een aantal dat in dezelfde periode met ongeveer een derde zou toenemen. Het aantal kunstenaars hield gelijke tred met de algemene Antwerpse bevolkingsaanwas. Zo telde het St.-Lukasgilde in de tweede helft van de 15de eeuw twaalf glazeniers (glasschilders), in de daaropvolgende vijftig jaar werden er 74 geregistreerd! In 1557 ondertekenden 91 edelsmeden een request aan het stadsbestuur, waarmee bijna het volledige aantal meesters in deze nijverheidstak is aangegeven. Guicciardini schatte het totale aantal schilders en beeldhouwers op driehonderd, maar dat getal lijkt ietwat geflatteerd. Veilig kan men aannemen dat ongeveer een half procent van de Antwerpse bevolking direct in een van de kunstambachten werkzaam was. Nog daargelaten de moeilijk te schatten aantallen leerlingen en de al even amorfe groep van mensen die in de toelevering van grondstoffen, in de afzet, de handel of het transport van de voltooide werken een rol speelden.

  Honderd jaar later, in de 17de eeuw, zouden de Noordelijke Nederlanden, geleid door Amsterdam, de rol van Antwerpen als culturele metropool overnemen. De belangrijkste oorzaak voor die verschuiving was het feit dat de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden door de Tachtigjarige oorlog (1568-1648), de opstand van de Noordelijke gewesten tegen het Spaans-Habsburgse gezag, gescheiden werden en de haven van Antwerpen economisch werd lamgelegd. Het Noorden zou een grote economische bloei meemaken, deels ten koste van het Zuiden. Noord en Zuid werden bovendien verdeeld door verschillende geloofsopvattingen. In de Zuidelijke Nederlanden domineerde de Roomskatholieke kerk, terwijl het Noorden in naam een protestantse natie was geworden na de Reformatie. Voor de kunstproductie was dat verschil van grote betekenis.

 Beeldsnijkunst: confectie of maatwerk

 Twee fenomenen vallen op in de kunstproductie van de Nederlanden in de late Middeleeuwen: het in toenemende mate produceren voor de vrije markt en de groeiende concentratie van bepaalde specialismen per stad. Door het netwerk van handelscontacten tussen de grote steden was er een gegarandeerde uitvoer van kunst mogelijk naar plaatsen ver buiten de regio. Voor kunstenaars betekende dit dat er meer en meer voor een open markt kon en moest worden gewerkt. Het werken in opdracht nam in relatieve zin duidelijk af ten gunste van het produceren voor een niet-specifieke en minder veeleisende groep afnemers. Confectie maakte plaats voor maatwerk. Uiteraard had dit verschijnsel effect op het uiterlijk van de producten: men produceerde voor de algemene vraag, dus een al te specifieke vorm of iconografie was economisch onverstandig. Tevens groeide hierdoor de noodzaak om zich onderling te onderscheiden. Binnen de productiestroom van het maatwerk was het nodig op te vallen. Originaliteit werd zeer op de proef gesteld.

  Het bekendste voorbeeld van dit verschijnsel is de Antwerpse retabelproductie, een kunsttak waarop zelfs de definitie 'kunstindustrie' van toepassing is, in de zin dat er seriematig werd geproduceerd voor een anonieme markt die niet altijd dicht bij huis lag én dat er sprake was van een zekere arbeidsverdeling. Het seriematig produceren betekende dat de vervaardiging doelmatiger georganiseerd werd. De Brusselse en Antwerpse ateliers waar de gesneden altaarretabels werden gemaakt werkten met een verregaande arbeidsverdeling en besteedden zelfs een deel van het werk aan externe, gespecialiseerde werkplaatsen uit. Zo werden in Antwerpen door bepaalde ateliers uitsluitend de ajour-friezen ('metselrie') gesneden of altaarpredella´s gemaakt.

  Een ander gevolg van deze nieuwe, rationele productie voor de vrije markt was de opkomst van kunst-ondernemers, die zelf aan de uitvoering van kunstwerken geen deel hadden. Zij namen deels de rol over van de kleine, traditioneel georganiseerde ambachtsman wiens ondernemerschap aannemer en uitvoerder nog in één persoon verenigde. Zo'n ondernemer 'nieuwe stijl' was Diederic Proudekin, die als agent optrad van handelaren in Spanje, Italië, Frankrijk, Duitsland, Engeland en Schotland en bovendien in Antwerpen verschillende beeldsnijders aan zich bond. Het Passiealtaar van Opitter-Bree is waarschijnlijk het resultaat van zo'n goed georganiseerde samenwerking tussen verschillende ambachtslieden en ondernemers.(afb. 1) De altaarkast werd door een schrijnwerker of kistenmaker geleverd, de architectuurdetails werden misschien in een gespecialiseerd atelier besteld, een beeldsnijderswerkplaats tekende voor de sculptuur, en schildersateliers verzorgden de polychromie van de beelden en de beschildering van de zijluiken. Al deze elementen werden geassembleerd onder het toezicht van de opdrachtgever, waarschijnlijk een 'entrepreneur' zoals de genoemde Proudekin. Het resultaat was dus het werk van vele handen, zonder de signatuur van een creatief persoonlijkheid. 

  Vijftig jaar eerder leverde de Brusselse beeldsnijder Jan Borreman (c. 1450-c. 1520) een groot Jorisretabel, dat hij trots signeerde op de zoom van de mantel van een van de figuren.(afb. 2) Borreman behoorde nog tot de traditionele, meer individuele kunstenaars die persoonlijk garant stonden voor hun werk en voornamelijk in opdracht werkten. De gedachte om het werk te signeren was een betrekkelijk nieuw verschijnsel, dat op een groeiend zelfbewustzijn onder kunstenaars wijst. In een document van 1513 werd van Jan Borreman onomwonden gezegd 'dat hy die beste meester beeldsnyder es'. In dat licht kan zijn signatuur gezien worden als een bewuste manifestatie van zijn artistieke reputatie. Maar de naamsvermelding diende ongetwijfeld ook een economisch doel, namelijk als kwaliteitswaarborg voor de koper én als middel ter vergroting van naamsbekendheid, juist in een tijd waarin de (anonieme) serieproductie van kunstwerken een grote vlucht nam.

  Het indrukwekkende Jorisaltaar geldt als een van de hoogtepunten uit de laat-Middeleeuwse beeldhouwkunst. Het ontleent zijn kwaliteiten volledig aan de plasticiteit - want het werk werd nooit gepolychromeerd - en aan de wijze waarop de verhalen en complexe handelingen met veel figuren zijn gerangschikt in kleine compartimenten.

  Veel van de beeldsnijders uit de 15de en 16de eeuw zijn onbekend en alleen op grond van de stijl van hun schaars bewaardgebleven werken te herkennen. Een uitzondering is de in Maastricht werkzame Jan van Steffeswert (voor 1470-na 1525), wiens invloed zich over de hele Limburgse regio uitstrekte. Net als Jan Borreman in Brussel voorzag ook hij zijn werken van een signatuur. Op het indrukwekkende Marianum voor de dom van Aachen, dat Steffenswert in 1524 sneed, is de signatuur 'IAN Bieldesnider 1524' achter een van de engelen aangebracht.(afb. 3, 4) Het Marianum bezit weliswaar niet de oorspronkelijke polychromie, maar het demonstreert wel het kleurige spektakel dat veel religieuze beeldhouwkunst in deze tijd was.

  De Oostelijke Nederlanden (Gelre) en het Nederrijn-gebied rond Kleef, Kalkar en Xanten was het werkterrein van beeldhouwers als Henrick Douverman (c. 1490-1544) en Arnt van Tricht (c. 1510-1570). De laatste leverde in 1543 het Drievuldigheidsaltaar voor de kerk van Kalkar, een kerk die nog steeds een groot deel van zijn oorspronkelijke altaarinrichting bezit.(afb. 5) Van Trichts werk ademt een nieuwe geest. De vormentaal van de late gotiek die bij Borreman en bij het altaar uit Opitter nog domineerde, heeft plaats gemaakt voor een uit Italië afkomstige stijl: de renaissance.  Arnt van Tricht maakte gebruik van motieven ontleend aan de klassieke Oudheid, zoals acanthusbladeren, grotesken, maskerons, putti en kandelabervormige zuilen. Zijn retabel, qua concept nog steeds gotisch, kreeg een moderne aankleding. Zijn beelden stralen een klassieke rust en ingetogenheid uit. Bovendien werd bewust gekozen voor een monochroom altaar, dat het eikenhout zonder beschildering zichtbaar laat. 

Beeldenstorm

De menging van oude, gotische en nieuwe renaissance-elementen is ook aanwezig in het epitaaf dat omstreeks 1550 bij Arnt van Tricht werd besteld door een lid van de familie Ros uit Wageningen.(afb. 6) Terwijl de centrale voorstelling, een reliëf met de Heilige Drieëenheid, rechtstreeks teruggrijpt op een inmiddels ouderwets voorbeeld, een gravure van Albrecht Dürer uit 1511, is de omlijsting volledig opgebouwd uit moderne renaissance-motieven: een boogvormige nis, geflankeerd door twee gecannelleerde zuiltjes en een kroonlijst, alles gedecoreerd met acanthusranken, maskerons, grotesken, kandelabers en schelpmotieven.

  Het epitaaf is sterk beschadigd. Het is veel van zijn oorspronkelijke polychromie verloren, maar erger is dat vrijwel alle gezichten zijn weggehakt. Opvallend is dat het decoratieve deel van het epitaaf nagenoeg ongeschonden is gebleven. Zulke gerichte beschadigingen zijn karakteristiek voor een systematische 'zuivering' op ideologische gronden en gaan terug op de Beeldenstorm van 1566. Deze golf van iconoclasme, geleid door orthodoxe protestantse volgelingen van Calvijn, spoelde in dat jaar enkele maanden over de Nederlanden en vernielde een groot deel van het kerkelijk kunstbezit. De Beeldenstorm, die nog gevolgd werd door kleinere uitbarstingen van iconoclasme in de volgende decennia, was van verstrekkende invloed op de kunstproductie in het land. Kunst voor devotie, zoals altaarstukken, reliekhouders en heiligenbeelden, was na 1566 vrijwel overal taboe. Beeldhouwkunst werd door de godsdiensthervormers radicaal verbannen uit de kerken onder verwijzing naar het tweede van de Tien geboden: 'Gij zult U geen gesneden beelden maken'. Onderwerpen die in de ogen van de protestanten als te roomskatholiek, te idolaat, werden ervaren werden sindsdien gemeden. Alleen in het Zuiden waar het roomskatholieke kerkgezag zich handhaafde kon de sculptuur zich goed herstellen van deze systematische 'zuivering'.

VOLGENDE PAGINA

Boven